Gorō Miyazaki over Aya and the Witch

‘Magie is werk’

Gorō Miyazaki

Zo vader, zo dan toch ook maar zoon. En dus wordt zoon Gorō altijd vergeleken met Hayao Miyazaki, Japanse animatiegodheid.
Het onderwerp bleek onvermijdbaar: hij begon er zelf over. “Het boek was een suggestie van mijn vader.”

Ik had me voorgenomen Gorō Miyazaki (1967) nu eens niet naar zijn vader te vragen. Wie weet, misschien zou ik wel de allereerste journalist zijn die niet begon over Hayao Miyazaki (1941), de beste animatieregisseur en succesvolste filmmaker van Japan, met titels als My Neighbor Totoro (1988) en Spirited Away (2001). Ook al werd Gorō’s film geproduceerd door Studio Ghibli, waarvan Hayao Miyazaki medeoprichter is.

Maar Gorō begint er zelf over. Als ik hem vraag naar de Ghibli-traditie van geromantiseerde Europese locaties, die hij ook weer gebruikt in zijn nieuwe film Aya and the Witch (Âya to majo), zegt hij: “Die romantische kijk op Europa is vooral iets van Hayao Miyazaki.”

Als ik vraag naar de invloed van die andere gigant van Studio Ghibli, Isao Takahata (1935-2018), regisseur van Grave of the Fireflies (1988), zegt Gorō: “Ik ben natuurlijk beïnvloed door wat ik als kind heb gezien. En dan vooral de televisieshows die Takahata maakte samen met mijn vader, zoals Heidi, Girl of the Alps (1974), Panda! Go Panda! (1972) en Anne from Green Gables (1979).”

Als ik vraag naar het boek dat hij verfilmd heeft, Diana Wynne Jones’ Earwig and the Witch: “Dat was eigenlijk meer een suggestie van Hayao Miyazaki en Toshio Suzuki, onze producent.”

Hayao de Onvermijdbare. Tijdens de aftiteling van Aya and the Witch zit het meisje Aya te kijken naar de Ghibli-film Howl’s Moving Castle (2004) – gemaakt door Hayao, nota bene óók naar een boek van Diana Wynne Jones. En ook Hayao had al eens een film gemaakt over een jonge heks die haar plek in de wereld verovert, Kiki’s Delivery Service (1989) – Aya’s zwarte kat lijkt zelfs op die van Kiki. Terwijl de boeken van Arthur Conan Doyle die Aya leest in de film Hayao’s televisieserie Sherlock Hound (1984) in herinnering roepen.

Oké, dus toch Gorō versus Hayao. De gespannen relatie tussen vader en zoon is in de pers breed uitgemeten. Pa was woedend toen producent Suzuki de raadselachtige beslissing nam Gorō met exact nul ervaring als animator of filmmaker naar voren te schuiven als regisseur van Tales from Earthsea (2001). Ook Gorō zelf was verbaasd en het maar half gelukte resultaat kende weliswaar commercieel succes, maar won in Japan ook prijzen voor Slechtste Film en Slechtste Regie – ongehoord voor het geliefde Ghibli. “Hij is nog niet volwassen”, mopperde Hayao na afloop van de voorpremière. Hun ruzie leidde ertoe dat ze elkaar drie jaar niet spraken – ‘Hayao Miyazaki krijgt een nul als vader, maar een tien als animator’, schreef Gorō destijds, met schokkende openhartigheid, in een blog die hij voor de studio bijhield.

Zwaard
En hoe begint Tales from Earthsea? Met een verwarde zoon die zijn vader, een wijze koning, vermoordt en zijn zwaard steelt – dat hij vervolgens niet uit zijn schede blijkt te kunnen krijgen. “Ik ben het zwaard van mijn vader niet waard”, verzucht de zoon, alsof de metafoor nog niet duidelijk genoeg was. Toch ontkende Gorō tegen de LA Times een bewuste verwijzing naar zijn eigen situatie, met een uitleg die het eigenlijk alleen maar pijnlijker maakte: “Nee hoor, ik had nooit de behoefte m’n vader te vermoorden – want we hadden toch niet echt een band.”

Ondertussen citeert Tales from Earthsea wel rijkelijk uit het oeuvre van Hayao Miyazaki, dat Gorō als kind uitentreuren had bestudeerd, in de hoop op die manier toch nog iets te weten te komen over zijn altijd afwezige vader. Wat hij toen opzoog, sijpelt nu onvermijdelijk door in zijn eigen werk.

Voor Gorō’s tweede film, het kleinood From Up on Poppy Hill (2011), werkten vader en zoon wel intensief samen. Hayao schreef niet alleen het scenario (een nostalgisch verhaal over scholieren in het Yokohama van de jaren zestig), maar bemoeide zich ook verder overal mee. Gorō voelde zich artistiek onvrij, vertelde hij achteraf, en de film draagt inderdaad vooral de signatuur van Hayao, met de subtiele bewegingen, psychologische nuancering en heldere verhaalstructuur die Tales from Earthsea allemaal ontbeerde.

Computeranimatie
Daarop besloot Gorō zich voortaan te richten op computeranimatie, omdat zijn vader daarvan weinig kaas gegeten had. Wat zoiets is alsof bij Pixar opeens iemand een handgetekende animatie zou gaan maken – het kán, maar waarom zou je dat nu per se dáár willen doen? Maar Gorō’s eerste CG-project, de televisieserie Ronja, the Robber’s Daughter (2014), was een behoorlijk succes en met Aya and the Witch presenteert hij nu zijn eerste CG-bioscoopfilm. Gemaakt met jonge collega’s, allemaal van buiten de studio. Een Ghibli-productie, officieel, maar niet op z’n Ghibli’s – Gorō zoekt hard naar zijn eigen weg.

Maar een geboren verhalenverteller is hij niet. Aya and the Witch heeft meerdere verhaallijnen die niet worden uitgewerkt en mist bovenal een bevredigend einde. En wat de CG betreft oogt vooral de gezichtsanimatie plastic vergeleken met Ghibli’s traditie van superieure handmatige animatie.

Toch gaan er bij Gorō ook dingen goed. Met name die dingen waarvoor hij wél is opgeleid. Zijn studie agricultuur en bosbouw is te herkennen in de arcadische landbouwscènes in Tales from Earthsea (waarover de verder ontevreden Ursula K. Le Guin, auteur van de oorspronkelijke boekenreeks, schreef: ‘Daarin herkende ik mijn Earthsea tenminste’). En zijn ervaring als landschapsarchitect keert niet alleen terug in de uitnodigende settings van zijn films – in Aya and the Witch een Engels stadje in de jaren negentig – maar ook in het hartveroverende en zeer populaire Ghibli Museum dat hij in Tokio bouwde (naar een ontwerp van Hayao). Die plek, plus de private daktuin van de studio, waren zijn eerste opdrachten voor Ghibli.

Brouwsels
Ook in Aya and the Witch is de architectuur een sterk punt. Met name de lekker vieze, rommelige en bijna middeleeuws aandoende ruimte waarin de heks haar kwalijke drankjes brouwt – een ontwerp tussen romantisch en realistisch in, dat inderdaad voelt als een Ghibli-benadering van CG-animatie. Gorō: “In het boek is magie niet een kwestie van eventjes een spreuk roepen en hop, alles is opgelost. Magie is werk. Het kost fysieke inspanning. Dat beviel me. Als architect riep dat bij mij het beeld op van een uitgewoonde werkplaats, in een Europees gebouw dat al vrij oud was. En voor haar brouwsels en spreuken wilde ik alleen organische ingrediënten gebruiken, planten en dieren. Dus geen typische CG-materialen; niks mechanisch, glads of futuristisch.”

Hier liggen zijn voornaamste kwaliteiten: niet als verhalenverteller, maar als architect van ruimtes en landschappen. Waarbij het heksenhuis in Aya and the Witch bijvoorbeeld ook een prima game-locatie had kunnen zijn. Of een daadwerkelijke, fysieke plek. Wat niet zo’n vergezocht idee is, want Gorō heeft al vaker Ghibli’s architectonische fantasieën verwerkelijkt.

Denk dan aan het Ghibli Museum, maar ook aan het aangekondigde entertainmentpark, waarnaar in Aya and the Witch een voorbijflitsende krantenkop over een te bouwen ‘Anime Mecca’ lijkt te verwijzen. “Het klopt dat we met een Ghibli Park bezig zijn, met onder meer het traditionele Japanse plattelandshuis uit Totoro dat we in 2005 met ouderwetse materialen hebben gebouwd. Om precies te zijn deed ik beide tegelijk: ik regisseerde Aya and the Witch terwijl ik ondertussen de planning voor het park aan het doen was – ik heb nog nooit zo hard gewerkt als deze laatste paar jaar.” Een ware heksentoer dus; de opening van het eerste deel van het park, op een voormalige World Expo-locatie in Nagakute, staat gepland voor herfst 2022.