Kaboom 2022: Competitie

Van Anne tot Belle

Bob Spit: We Do Not Like People

Als éénpersoonsjury zet KEES Driessen de Kaboom-competitie voor lange animatiefilms op een rijtje. Van kinderachtige kinderfilm tot vliegende walvis.

De hoofdcompetitie voor lange animatiefilms op het komende Kaboom-festival telt acht titels. De Filmkrant (en de Filmkrant, c’est moi, in dit geval) heeft die bekeken (deels op een thuisscherm, zeg ik er eerlijk bij).

We tellen af, van de minste tot de beste, van nummer acht tot nummer één. Let op: milde (want voorspelbare) spoilers.

8) Where is Anne Frank van Ari Folman
Mijn gewaardeerde collega Omar Larabi denkt er anders over, maar Where is Anne Frank is mislukt. Terwijl Folmans lange animatiedebuut Waltz with Bashir (2008) een meesterwerk was en opvolger The Congress (2013) op z’n minst interessant. Ook in het contrast tussen Anne Franks huidige populariteit en onze harteloze omgang met (niet-westerse) vluchtelingen schuilt een boeiende film – maar dat is niet deze. In het middelmatig geanimeerde verhaaltje komt Anne’s dagboekvriendinnetje Kitty in hedendaags Amsterdam tot leven. Ze is wel of niet zichtbaar, gehaaid of naïef, net wat de gekunstelde plot vereist, en leidt ons naar een zelfs voor een kinderfilm kinderachtige en dus neerbuigende oplossing voor alle vluchtelingenproblemen.

7) Archipel van Félix Dufour-Laperrière
Ik zou ’m graag mooi vinden, want lange experimentele animatie zie je niet vaak. Als gevarieerde showcase van animatietalent, met losse onderdelen die afzonderlijk in een museum zouden passen, is de film ook geslaagd. Maar dat maakt het geheel niet minder slaapverwekkend. Dreinende, langgerekte muziekklanken begeleiden plechtstatige declamaties terwijl we de Saint Lawrence River in Quebec afzakken. “Tu n’existe pas”, horen we dan bijvoorbeeld, meermaals. Ongetwijfeld dichterlijk bedoeld. Ondertussen gaat het veel over Franse kolonisten en zelden over de oorspronkelijke Innu. Maar goed, allicht heb ik iets gemist. Ik knikkebolde.

6) Poupelle of Chimney Town (Entotsu-machi no Poupelle) van Hirota Yusuke
Hirota Yusuke’s wereld is uitbundig vormgegeven – en verrast toch bijna nergens. Gedetailleerd, maar overvol en onoverzichtelijk. De pronkerig rondvliegende camera’s en plastieken gezichtsuitdrukkingen zijn bekende valkuilen van computeranimatie, die kinderen waarschijnlijk niet zullen afschrikken. Maar het verhaal sleept, zit vol herhaling en ramt de opzichtige boodschap erin: moderne tijd slecht, want fabrieken en rook en de hemel niet meer te zien. Wat via een voorspelbaar stramien, zonder ooit enige spanning of het wel gaat lukken, is op te lossen door een enkel kind, waarna de massa die als één mens tegen was nu als één mens voor is, hoera, The End. Zie ook nummer 8 hierboven.

5) My Sunny Maad (Moje slunce Mad) van Michaela Pavlátová
Als lange animatie niet jaren zou kosten om te produceren, zou My Sunny Maad geïnspireerd kunnen lijken door Jonas Poher Rasmussens bejubelde Flee (2021) – twee animatiedocumentaires over het moeilijk overbrugbare cultuurverschil tussen Europa en Afghanistan. In Maad vertrekt een naïeve Tsjechische voor een huwelijk naar Kaboel. Ik hoop dat de film kan meeliften op de aandacht die Flee genereert voor het boeiende genre. Dit verhaal mag dan platter zijn (de vrouw negeert waarschuwingen dat Afghanistan vrouwonvriendelijk is om te ontdekken dat… Afghanistan vrouwonvriendelijk is) en de animatie minder precies, maar de karakterisering van personages en de Afghaanse omgeving maakt veel goed.

Fortune Favors Lady Nikuko

4) Fortune Favors Lady Nikuko (Gyoko no Nikuko-chan) van Ayumu Watanabe
De animatiekwaliteit is opnieuw hoog bij de regisseur van Children of the Sea (2019): ik zou met alle liefde wonen in het knusse bootje waarmee Nikuko rondtrekt. En haar dochters aftastende, prepuberale gewenning aan een nieuwe omgeving heeft een weldadige loomheid en subtiele, alledaagse terzijdes. Dat ondertussen de vele Japanse taalgrapjes lost in translation gaan is onvermijdelijk, maar de fat-shaming van Nikuko toch zeker niet. Als levenslustige chaoot, met een verkeerde smaak in mannen maar ongebroken optimisme, is zij het aantrekkelijkste personage en het levendigst geanimeerd. Maar wel karikaturaler dan anderen, waarbij haar overgewicht voortdurend wordt benadrukt en belachelijk wordt gemaakt.

3) The Timekeepers of Eternity van Aristotelis Maragkos
Dit is ongetwijfeld de vreemdste productie op deze lijst. En een aanrader – hoewel gebaseerd op een afrader. Dat zit zo: dit is een ingekorte bewerking van de Stephen King-verfilming The Langoliers uit 1995, zwart-wit uitgeprint en op ingenieuze manieren gescheurd en gekreukeld, geïnspireerd door de time rip waarmee de passagiers van een lijnvliegtuig te kampen krijgen. Helaas was het krakkemikkige origineel net niet ‘zo slecht dat het goed wordt’ – ook in deze bewerking niet. Alleen de computereffecten waren echt hilarisch, maar die zijn hier juist vakkundig weggekreukeld. Je zit dus te kijken naar een goed verkreukelde slechte film. Fascinerend, dat is het.

2) Bob Spit: We Do Not Like People (Bob Cuspe: Nós não gostamos de gente) van Cesar Cabral
De beroemde Braziliaanse underground stripfiguur Bob Spit zegt me niks. Dat is dus zoiets als een film kijken over Herman Brood zonder ooit van hem gehoord te hebben. Dan ben je waarschijnlijk niet de doelgroep. Bovendien is oude punker Bob nogal een lul. Meer “fuck iedereen” dan “fuck the system” – zie de ondertitel. Wat automatisch zijn schepper Angeli, die zelf ook in de animatie voorkomt, minder sympathiek maakt. En dan toch op twee? Ja, toch op twee. Want de stop-motion is echt heel erg goed, de geknutselde wereld wordt prachtig tot leven gebracht en die gelaagde, semi-fictieve documentairevorm is origineel en knap uitgewerkt. Bob Spit wint.

Belle

1) Belle (Ryū to sobakasu no hime) van Mamoru Hosoda
Die vliegende walvissen! Het is een dingetje van Hosoda – en van veel animatoren trouwens. Ik zal nooit helemaal wennen aan dat new-age cliché, maar het ziet er bij Hosoda (Mirai, 2019) wel prachtig uit. Zoals alles. Het verhaal is Belle en het beest in een futuristische vorm van Virtual Reality (ver voorbij Facebooks Metaverse) en biedt tegelijk commentaar op het online leven. Het is een wereld van twee helften. In de VR beleven onze helden computergeanimeerde monsterromances vol gevechten. Maar daarbuiten is er het traditioneel geanimeerde dagelijks leven, met niet vliegende walvissen, maar psychologisch subtiele interacties als stiekem hoogtepunt van de film.

Dat was de competitie. Maar daarnaast moet, ja móet ik echt nog even twee films noemen uit de rest van het programma. Twee meesterwerken: één lang, één kort; één oud, één nieuw. Son of the White Mare (Fehérlófia) van de Servisch-Hongaarse Marcell Jankovics is een stilistisch en mythologisch, bijna mystiek sieraad uit 1981, met een waanzinnige psychedelische vormentaal die neigt naar het onbeschrijfelijke. Zo mooi. En kortfilm Easter Eggs van de Belgische Nicolas Keppens (in het verzamelprogramma ‘Too Good to Ignore: Shorts’) creëert een complete wereld, rond de wrange vriendschap van twee jongetjes, in minder dan een kwartier – een van de beste films – lang of kort – van 2020.


Kaboom Animation Festival | 28 maart t/m 3 april | Utrecht, Amsterdam en online.