The Coen Brothers Complete

Schlemiel, klootzak, simpele ziel

Personages van de Coen Brothers. Illustratie: Maarten van der Meer

De broers Joel en Ethan Coen, aan wie Eye Filmmuseum deze zomer een (vrijwel) compleet retrospectief wijdt, staan bekend om hun scherpe dialogen en geraffineerde plots. Toch beklijven vooral de excentrieke personages – van Marge Gunderson via The Dude tot Anton Chigurh.

Filmkrant zet tien onvergetelijke personages uit de films van de gebroeders Coen op een rij. Gezamenlijk biedt dat een totaalindruk van hun oeuvre.

The Man Who Wasn’t There

Ed Crane (Billy Bob Thornton) uit The Man Who Wasn’t There (2001): Sneeuwbaleffect
Door Mariska Graveland

Griezelige kapper Ed Crane is op een dood spoor beland. Starend in het grote Niets knipt hij als een moderne Sisyphus elke dag het haar van zijn klanten, haar dat maar door blijft groeien, in een eindeloze cyclus. De lethargische Crane is in The Man Who Wasn’t There de onzichtbare man die een leven leidt van stille wanhoop. Zijn bestaan is als de langzaam draaiende kappersspiraal aan zijn gevel die lijkt te bewegen, maar elke keer hetzelfde rondje maakt en nergens heen gaat.

Het leven lijkt deze man zonder eigenschappen te overkomen, totdat hij het heft in eigen hand neemt wanneer uit het niets een vreemdeling opduikt die hem het verleidelijke voorstel doet om als partners anno 1949 in de snelgroeiende stomerijbranche te stappen. Ed moet als kersverse durfkapitalist alleen nog aan geld zien te komen.

Wat volgt is een sneeuwbaleffect van het soort waarop Joel en Ethan Coen patent hebben, geïnspireerd door hun geliefde film noirs. Ramp volgt op ramp: wat begint bij een stomerij leidt tot moord en chaos, waarbij Crane voornamelijk zijn eigen graf graaft.

Veel Coen-personages saboteren hun eigen plannen en zetten een escalatie in gang, al dan niet geholpen door het (nood)lot. Zijlijnen en hoofdlijnen zijn daarbij vaak niet te onderscheiden. “De boel escaleert nogal snel hier in het Wilde Westen, en het één leidt tot het ander”, zei hun Buster Scruggs (2018) al. De zelf veroorzaakte ongelukken stapelen zich ook op in A Serious Man (2009), The Big Lebowski (1998) en Fargo (1996). Toeval speelt soms een rol, maar kan ook – zoals het Rad van Fortuin in The Hudsucker Proxy (1994) – in je voordeel werken. Als de zaken er slecht voor staan, hoef je alleen maar te wachten tot het rad uiteindelijk voorbij zijn dieptepunt draait.

In No Country for Old Men (2007) gooit Chigurh een munt op, waarmee het lot beslist of de argeloze medewerker van een tankstation blijft leven of niet. De kleinste actie kan grote gevolgen hebben, maar het is onmogelijk om te weten welke uitkomsten onze keuzes zullen hebben.

Ook op het kleinste kwantumniveau drijft dit principe de wereld voort. Niet voor niets komt zowel in A Serious Man als in The Man Who Wasn’t There het onzekerheidsprincipe van natuurkundige Werner Heisenberg voorbij. In The Man Who Wasn’t There is het een peperdure, ijdele advocaat die in het wilde weg over reasonable doubt filosofeert met een beroep op Heisenbergs onzekerheidsprincipe: “Hoe meer je ziet, hoe minder je weet.” Ed Crane heeft niets aan dat pleidooi: hij eindigt in de elektrische stoel, de spiraal is uiteindelijk toch gestopt.

The Big Lebowski

De nihilisten (Flea, Torsten Voges, Peter Stormare) uit The Big Lebowski (1998): Nihilisme
Door Roosje van der Kamp

Wanneer in The Big Lebowski drie in het zwart geklede mannen het huis van The Dude binnendringen en de boel kapotslaan, is dat vreemd genoeg vooral lachwekkend. Het heeft iets te maken met hun aangelijnde fret (“leuke marmot”, schimpt The Dude) en hun Duitse accenten, maar toch vooral met hun bizarre verklaring dat ze “nergens in geloven”.

De nihilistische schurken boezemen The Dude aanvankelijk misschien angst in, maar wekken later alleen hoon en zelfs meeleven op. “Ah, dat moet vermoeiend zijn”, antwoordt The Dude wanneer hij hoort dat het trio nergens in gelooft. Zo zou je nihilisme de ultieme schurk in het oeuvre van de gebroeders Coen kunnen noemen. Want hoewel het universum voor de Coens apathisch en wreed is, blijkt nihilisme keer op keer een laffe uitweg uit de betekenisloosheid. Zoals Marge haar monoloog na al het geweld in Fargo eindigt: “Daar sta je dan, en het is een prachtige dag.”

Raising Arizona

H.I. Mcdunnough (Nicolas Cage) uit Raising Arizona (1987): High hick
Door Hugo Emmerzael

Edwina’s insides were a rocky place where my seed could find no purchase.” Die knullig-poëtische beschrijving van onvruchtbaarheid zet de plot in gang van Raising Arizona, de tweede Coens-film. Nicolas Cage speelt H.I. McDunnough, een aandoenlijke oen die een baby besluit te stelen van de lokale meubelmagnaat Nathan Arizona. In typische Coen-stijl gaat dat de hele tijd mis. Na het duistere Blood Simple (1984) gingen de broers met deze film voor een lichtere, meer humoristische toon.

De film zit vol visuele komedie, vooral dankzij het lichtvoetige spel van Cage. Een tatoeage op zijn arm schijnt te verklappen dat hij H.I. modelleerde naar Woody Woodpecker, wat het hoge slapstickgehalte verklaart. Maar de film is meer dan alleen visueel vernuft. Raising Arizona is Shakespeare voor het Amerikaanse Zuiden, met talige woordgrapjes die prachtig dansen rondom dikke southern hick-accenten. ‘High hick’ is hoe deze essentiële bouwsteen van het Coen-universum soms wordt genoemd.

Joel (links) en Ethan (rechts) Coen flankeren enkele van hun personages. Illustratie: Maarten van der Meer
A Serious Man

Larry Gopnik (Michael Stuhlbarg) uit A Serious Man (2009): De schlemiel
Door Joost Broeren-Huitenga

Dat de Coens een Joodse achtergrond hebben, was lange tijd nauwelijks een factor in hoe over hun films werd geschreven – of hoe ze zelf erover spraken. Hoewel in veel van hun films Joodse personages een prominente rol spelen – van kruimeldief Bernie in Miller’s Crossing (1990) en toneelschrijver Barton Fink in de gelijknamige film (1991; beiden gespeeld door John Turturro) tot de fanatiek maar selectief praktiserende bekeerling Walter Sobchak in The Big Lebowski – werden die amper als zodanig benoemd. Het waren verdraaiingen en overdrijvingen van culturele stereotypen, zoals alle Coen-personages dat waren.

Dat veranderde met A Serious Man, waarvoor de broers uitgebreid putten uit hun jeugd als Joodse kinderen in het Minnesota van de late jaren zestig. Startpunt voor hun scenario was de scène die de apotheose van de film zou worden. Daarin worstelt de dertienjarige Danny (ongeveer de leeftijd die Joel Coen zelf destijds had) zich onder invloed van marihuana door zijn bar mitzvah. Maar het grootste deel van de film draait om Danny’s vader Larry, die in de aanloop naar die bar mitzvah nogal wat voor zijn kiezen krijgt.

Met terugwerkende kracht werd met A Serious Man duidelijk hoezeer het Coen-oeuvre gestoeld is op de traditie van de Joodse humor, vol (zelf)spot in het aangezicht van tragedie. Hoe ze die grondhouding toepassen op van oudsher zeer WASP-ige genres als de misdaadfilm, de western en de film noir. En vooral hoe het oertype van de schlemiel keer op keer terugkomt in hun werk.

De schlemiel is de figuur die zich door eigen toedoen steeds dieper in de nesten werkt; die met de beste bedoelingen in elke situatie precies het verkeerde doet. Niet te verwarren met de schlemazel, die simpelweg altijd pech heeft.

Wie iets groots probeert, komt in het Coen-universum meestal bedrogen uit. Dan wordt dat sneeuwbaleffect dat collega Mariska Graveland hierboven beschrijft in gang gezet en loopt alles gruwelijk in de soep. Of in de houtversnipperaar.

Maar zelfs als je niets doet, blijkt dat het verkeerde te kunnen zijn, ondervindt Larry Gopnik de hele film lang in A Serious Man. Als zijn vrouw hem verlaat, vraagt hij wat hij fout heeft gedaan – “Ik heb niets gedaan!” pleit hij wanhopig. Hetzelfde zinnetje flapt hij eruit als hij op zijn universiteit wordt beschuldigd van het aannemen van steekpenningen van een student – wat technisch gezien klopt, want de envelop met cash zit nog in zijn bureaula. Hij heeft er niets mee gedaan.

The Hudsucker Proxy

Norville Barnes (Tim Robbins) uit The Hudsucker Proxy (1994): Simpele ziel
Door Elise van Dam

Met Preston Sturges en Frank Capra als onmiskenbare inspiratiebronnen vertelt The Hudsucker Proxy het verhaal van een simpele ziel in een keiharde wereld.

Norville Barnes is een man die de wereld bekijkt met een blik vol kinderlijke openheid. Die niet in staat lijkt te veinzen of manipuleren, en karma dan ook ziet als een bewonderenswaardig concept, en niet iets om te vrezen. Varianten op de naïeve Norville zijn te vinden in Brad Pitts rol in Burn After Reading (2008) of Alden Ehrenreichs rol in Hail, Caesar! (2016), als acteur die de zin “Would that it were so simple” maar niet uitgesproken krijgt.

Want dat is natuurlijk het punt. Wás het allemaal maar zo simpel als die hoelahoep van Norville. Vrijwel altijd wordt die naïviteit bij de Coens onderweg vermorzeld en ook Norville lijkt halverwege de film zijn onbevangenheid te verliezen. Maar uiteindelijk is The Hudsucker Proxy een van de weinige films van de Coens (of de enige?) waarin die naïviteit overleeft en zegeviert.

Burn After Reading

Osborne Cox (John Malkovich) uit Burn After Reading (2008): Prutsers
Door Ronald Rovers

Als je de films van de Coens ziet als een quilt van menselijk onvermogen en hebzucht, dan zou in het vakje Burn After Reading een woedende Osborne Cox kunnen worden genaaid. Cox is niet het typische Coens-slachtoffer, maar ook hij past perfect in de filosofie van het stuntelend existentialisme dat de Coens schijnen aan te hangen. Cox roept voor de verandering namelijk niet zelf het onheil over zich af, maar wordt door anderen het onheil in gerommeld. Wat zei Sartre ook alweer over de anderen?

De Coens zijn herhaaldelijk voor misantropen uitgemaakt, maar evengoed kun je in hun films een aandoenlijke blik ontwaren: kijk ze toch prutsen. Al hun personages zoeken een sluiproute naar succes en rijkdom en allemaal verdwalen ze hopeloos – Osborne Cox door te denken dat iemand geïnteresseerd is in z’n memoir.

Hail, Caesar!

DeeAnna Moran (Scarlett Johansson) uit Hail, Caesar! (2016): Metacinema
Door Joost Broeren-Huitenga

“Daar ga ik niet weer aan beginnen!”, protesteert DeeAnna Moran in haar platte accent wanneer studiofixer Eddie Mannix de zwangere filmster een echtgenoot probeert aan te smeren. “Ik heb al twee huwelijken achter de rug; het heeft de studio alleen maar veel geld gekost om die weer op te breken.”

Moran is maar een bijfiguur in Hail, Caesar!, de film die het duidelijkst de lijn van films-over-film in het Coen-oeuvre vertegenwoordigt. Mannix heeft wel ergere dingen aan z’n hoofd dan de ongehuwde zwangerschap van deze ster uit het (onwaarschijnlijke maar echt bestaande) genre van de ‘aquamusical’, oftewel musicals met schoonzwemmers. De uitkomst van Morans dilemma is exemplarisch voor hoe de broers aan de haal kunnen gaan met de filmgeschiedenis. Zie ook Mannix zelf, die echt bestaan heeft (en volgens de overlevering een stuk nietsontziender was dan Josh Brolins melancholische personage).

DeeAnna Moran is gemodelleerd naar Esther Williams, een wedstrijdzwemmer die in de jaren veertig en vijftig succes had als acteur. Ook de uitweg die Moran geboden wordt – via wat schimmige pennenstreken kan ze haar eigen kind adopteren zodat het publiek geen weet heeft van haar buitenechtelijke zwangerschap – is op werkelijkheid gebaseerd. Loretta Young raakte tijdens de opnames van Call of the Wild (1935) zwanger van haar tegenspeler Clark Gable – na haar dood kwam naar buiten dat sprake zou zijn geweest van een verkrachting. De echte Eddie Mannix speelde een rol in het arrangeren van de adoptie-omweg.

Zo spelen de Coens vaker met de filmgeschiedenis, en becommentariëren daarmee via een omweg ook hun eigen positie als filmauteurs. Zie bijvoorbeeld hoe het kidnapverhaaltje van The Big Lebowski om de groezelige kanten van de entertainmentindustrie heen cirkelt, of hoe O Brother, Where Art Thou? (2000) zijn titel ontleent aan de film-in-de-film uit Preston Sturgess’ Sullivan’s Travels (1941). Ook The Hudsucker Proxy kun je in deze lijn zien, met zijn commentaar op de industrialisering van vermaak.

Dat spel met de filmwereld begint in Barton Fink (1991). Daarin wordt theaterschrijver Fink in 1941 geronseld als filmscenarist voor de Capital Studio en loopt hij gruwelijk vast in een writer’s block.

Hail, Caesar! speelt zo’n vijftien jaar later in diezelfde Capitol Studio en kan ook in andere opzichten gezien worden als officieus vervolg op Barton Fink, of in ieder geval een nieuwe blik op dezelfde thematiek. Er is een directe lijn te trekken van Finks gefnuikte verlangen om ‘theater voor en over de gewone man’ te schrijven, terwijl hij geen greintje aandacht voor die gewone man heeft als die voor zijn neus staat, naar de groep communisten die letterlijk vanuit hun luie stoelen theoretiseren over het kwaad van het grootkapitaal.

Nee, de Coens hebben geen illusies over wat de filmindustrie de wereld te brengen heeft.

The Tragedy of Macbeth

Lady Macbeth (Frances McDormand) uit The Tragedy of Macbeth (2021): Verfilmingen
Door Joost Broeren-Huitenga

Voor filmmakers die bekendstaan om hun volstrekt eigenzinnige toon en woordgebruik, gebruiken de Coens verrassend vaak bestaand materiaal als bron. Van The Ladykillers (2004), een remake van de gelijknamige Britse komedie, via verfilmingen van Cormac McCarthy’s No Country for Old Men (2007) en Charles Porters True Grit (2010) tot de verhalen van Jack London en Stewart Edward White die aan de basis lagen van episodes in The Ballad of Buster Scruggs.

Het meest dwingend is de bron in de door Joel Coen solo geregisseerde verfilming van Shakespeares Macbeth, waar hij immers (op wat lichte redactie na) gebonden is aan die o zo beroemde tekst. Toch klinkt The Tragedy of Macbeth herkenbaar ‘des Coens’ – een bewijs dat hun toon niet zozeer zit in wát er gezegd wordt, maar in hóe het gezegd wordt, en in de sfeer die ze om die teksten heen creëren.

No Country for Old Men

Anton Chigurh (Javier Bardem) uit No Country for Old Men (2007): De villain
Door Ronald Rovers

De Coens hebben altijd talent gehad voor het creëren van interessante klootzakken, maar met Anton Chigurh zag ontegenzeglijk een van de grootste villains in de filmgeschiedenis het licht.

Strikt genomen is Chigurh natuurlijk bedacht door Cormac McCarthy, maar het waren de Coens en Javier Bardem (die er zijn eerste Oscar mee won) die er in No Country for Old Men een onvergetelijke schurk van maakten. Het kapsel, het rubberen gezicht, het oudtestamentische doorzetten, als een niet te stoppen moordmachine. De antithese van het idee van manifest destiny, het idee dat de settlers voorbestemd waren om westwaarts te trekken en zich daar te vestigen. Nee, zegt Chigurh, tot hier en niet verder.

De villains bij de Coens hebben vaak de contouren van een of andere bijbelse verschijning. Alsof ze de verpersoonlijking zijn van de toorn Gods die andere personages over zich hebben afgeroepen. Charlie Meadows in Barton Fink heeft iets diabolisch, de zwijgzame Gaear Grimsrud in Fargo eveneens. Lorne Malvo in seizoen één van Fargo de serie (2014), waar de Coens als producent bij betrokken waren, idem dito.

In O Brother, Where Art Thou? beschrijft iemand de duivel als “iemand met lege ogen, een holle stem en reizend met een hond”. Exact sheriff Cooley die de Soggy Bottom Boys in de film achtervolgt. Zulke duivelspersonages duiken op in bijna elke film van de Coens.

Het lijkt een paradox. De vrijheid van het existentialisme – iedereen is verantwoordelijk voor hun eigen daden – botst met de onverzettelijkheid van de villain, die onontkoombaar als het noodlot de personages treft. In de documentaire The Coen Brothers (2000) vertelt een oude vriend van de broers deze anekdote, die aardig illustreert waar die schijnbare tegenstelling tussen vrijheid en determinisme vandaan komt. “Toen Joel en Ethan jong waren, hadden ze een hond die al best oud was. Op een dag begaven z’n achterpoten het en een jaar lang moesten de broers bij alles wat de hond deed z’n achterpoten optillen. Op een bepaald moment had hun vader er genoeg van en kondigde aan dat de hond een spuitje zou krijgen. Op de dag dat ze naar de dierenarts zouden gaan, kon de hond plotseling weer op z’n achterpoten staan. Het was een wonder. Dus ze deden de voordeur open, de hond sprint naar buiten en, pats!, wordt op straat doodgereden door een auto.”

Ja, de personages in hun films zijn vrij. Tot het noodlot aanklopt.

Blood Simple

Loren Visser (M. Emmet Walsh) uit Blood Simple (1984): Gewiekst
Door Basje Boer

We kennen bullebakken en psychopaten, bad guys en femmes fatales, psychopaten die schakelen van poeslief naar ijskoud – maar we kennen niemand als Loren Visser. Blood Simple is een neo-noir en dus worden alle kwaliteiten en clichés van de film noir herhaald en uitvergroot, inclusief de personages. Er is een klootzak, een sukkel, een vrouw in nood. En er is Loren Visser, onvergetelijk vormgegeven door de afgelopen maart overleden M. Emmet Walsh, die zelfs twee clichés is: privédetective en huurmoordenaar.

Loren Visser is sleazy, charmant, gevaarlijk. Hij is slimmer dan hij lijkt. Loren Visser is één en al groot roze hoofd waar – we zijn tenslotte in Texas – permanent zweetdruppels op parelen en een smoezelige cowboyhoed op prijkt. Loren Visser is zijn manier van praten, loom en lijzig, alsof hij de moeite niet neemt om de woorden rond te maken, maar ze ergens laat hangen in de lucht. Loren Visser is zijn schaterlach, hoog en hinnikend als van een hyena. Hij is de halve glimlach op zijn gezicht, die zo weer verdwenen kan zijn. Loren Visser lacht je uit, maar heeft ook zelfspot. Hinnikend gaat hij de dood tegemoet.


The Coen Brothers Complete | 11 juli t/m 11 september 2024 | Eye Filmmuseum, Amsterdam | Een digitaal gerestaureerde heruitgave van Blood Simple (1984) is vanaf 18 juli 2024 landelijk te zien.