Blood Simple

Verdwaasd door onderdompeling in geweld

Blood Simple

Het debuut van Joel en Ethan Coen, dat voor de veertigste verjaardag opgepoetst wordt uitgebracht, is nog net geen volbloed-Coen, terwijl veel elementen al aanwezig zijn.

“Of je nou de paus bent in Rome, de president van de Verenigde Staten of de man van het jaar – er kan altijd iets mislopen.” In de korte monoloog waarmee Blood Simple begint, wordt tamelijk expliciet het uitgangspunt van het hele oeuvre van de broers Joel en Ethan Coen vervat. Een oeuvre gebouwd op verhalen waarin dingen (vaak gruwelijk, altijd zwartkomisch) mislopen voor hun (vaak schlemielige, altijd goedgebekte) hoofdpersonen.

Is het oneerlijk om het Coen-debuut Blood Simple langs de hoge lat van hun latere werk te leggen? Ja, natuurlijk. En het is ook onvermijdelijk, want er zullen weinig cinefielen zijn die de film, die opnieuw wordt uitgebracht ter ere van zijn veertigste verjaardag én als vaandeldrager voor het Coen-retrospectief in Eye deze zomer, zonder uitgebreide voorkennis van dat latere werk gaat zien.

En inderdaad zijn vele elementen uit de latere successen te herkennen. Dat begint al met de titel – de term ‘blood simple’, die in de film nergens uitgelegd wordt, haalden ze uit het boek Red Harvest van detectiveschrijver Dashiell Hammett, uit wiens werk ze uitgebreider zouden putten voor hun vierde film Miller’s Crossing (1990). ‘Blood simple’ is zoiets als de verdwazing die ontstaat als een mens langere tijd ondergedompeld leeft in een gewelddadige situatie.

Zo zijn er meer Coenesque elementen. Zie de sjofele privédetective die rondrijdt in een Volkswagen Kever, zoals later ook in The Big Lebowski (1998). Zie de hoofdrol voor ‘muze’ Frances McDormand, die hier eveneens debuteert, net als cinematograaf Barry Sonnenfeld (later zelf een gevierd regisseur) en componist Carter Burwell, die vrijwel alle films van de Coens van muziek zou voorzien. En zie vooral het escalerende noodlot dat de plot in gang houdt.

Dat verhaal in het kort: louche kroegbaas Marty (Dan Hedaya) ontdekt dat zijn vrouw Abby (McDormand) vreemdgaat met zijn barman Ray (John Getz) en geeft detective Loren Visser (M. Emmet Walsh) opdracht het stel te vermoorden. Dat loopt anders en daarop volgt een opeenstapeling van steeds gruwelijker vergissingen, waarbij alle vier de personages – heel erg des Coens – denken alles te snappen, maar het in feite bij het verkeerde eind hebben. Met de foute conclusies die zij keer op keer trekken, bezegelen ze hun eigen ondergang.

Toch is Blood Simple nog geen volbloed Coen. De film werd weliswaar al direct bij uitkomst in 1984 geroemd als een hoogtepunt in de destijds ontluikende indie-scene. Maar de broers zelf noemden het bij de release van de vier minuten kortere director’s cut in 1998 in interviews “geen goede film” en “nogal onbehouwen”. Dat eerste is te streng, het tweede niet onterecht.

Wat vooral opvalt is dat de zwarte humor niet goed uit de verf komt. Op papier is het er wel – de puntige dialogen, de net iets boven de realiteit zwevende oneliners. Maar in de uitvoering stokt het: de acteurs buigen hun teksten naar een meer simplistisch realisme, waarmee de magie vervliegt. (Sam Raimi’s Crimewave uit 1985, waarvoor de Coens het scenario schreven en dat ook te zien is in het Eye-retrospectief, heeft overigens het omgekeerde probleem: daar wordt de humor zo vet aangezet dat het doorslaat naar een parodie van zichzelf.)

Het is bijna alsof de Coens op de set terugdeinsden voor de humor van hun gruwelijke verhaal, of nog niet bij machte waren om de acteurs tot het juiste spel te dirigeren. Alleen M. Emmett Walsh als de sjacherende privédetective Loren Visser opereert op de golflengte van de latere Coen-films en hij zet dan ook het eerste iconische Coen-personage neer. Niet voor niets is hij het die, met vrijwel onverstaanbaar Texaans accent, die openingsmonoloog op zich mag nemen. En die in de fenomenale slotscène als enige kan lachen om de wrede grap die de dood is.