Lemohang Jeremiah Mosese over This is not a Burial, it’s a Resurrection

'Later moest ik mijn Franse ogen weer kwijt zien te raken'

Lemohang Jeremiah Mosese

Een dorp in Lesotho moet ontruimd voor de bouw van een dam. Maar in de aarde liggen de lichamen van Mantoa’s ouders, groot-ouders en inmiddels ook haar kinderen. Ze komt in verzet. Een gesprek met Lemohang Jeremiah Mosese over moedertaal en navelstrengen.

Uitgesproken en zelfbewust is kunstenaar Lemohang Jeremiah Mosese. Je ziet het aan zijn houding, die al even gebeeldhouwd en zelfverzekerd lijkt als zijn antwoorden. Hij beweegt weinig als hij praat, hij spreekt aandachtig en met zachte stem en lacht niet. Waarom zou hij ook, we kennen elkaar niet.

Voor een interviewer is Mosese een godsgeschenk want over elke vraag heeft hij nagedacht. “Wel met het voordeel van de afstand die ik door de coronacrisis heb kunnen nemen”, zegt Mosese (Lesotho, 1980) als hij halverwege juni te gast is in Eye Filmmuseum. Mosese’s installatie Bodies of Negroes. I Will Sculpture God, Grim and Benevolent is deel van de tentoonstelling Vive le cinema! in Eye, dat de grenzen van het filmkader onderzoekt. Zoom-interviews wilde hij niet meer en hij stapte in Berlijn, waar hij een deel van de tijd woont en werkt, op de trein naar Amsterdam.

Moet ik This is Not a Burial, it’s a Resurrection zien als uw persoonlijke reis? “Ja. Hoewel ik me dat niet realiseerde toen ik het idee voor de film ontwikkelde. Er zit bijvoorbeeld een scène in waarin een oudere vrouw het lichaam van een dode man wast. Pas toen ik iets soortgelijks deed voor de video-installatie, besefte ik dat die sequentie iets zegt over mijn verhouding met mijn vader. Ik zag mezelf ineens als de vrouw die het lichaam van mijn vader wast. Ik denk dat het iets met vergeving te maken heeft. Ik groeide op zonder vader, want mijn vader was een gewelddadige man. Op een bepaald moment zei een vriend van me: ‘Je bent boos op je vader’. ‘Nee, ik heb geen vader!’ riep ik toen. Maar ik besefte dat ik dieper moest, dat ik eerlijk tegen mezelf moest zijn. Dat ik ‘m moest vergeven. En begrijp me goed, zoiets gebeurt niet bewust. Je stopt zo’n scène van een wassende vrouw echt niet met die bedoeling in een film. Maar later, erover nadenkend, zag ik de diepere betekenis.”

Ging u naar de hele film anders kijken na verloop van tijd? Ik neem aan dat het motief om de film te maken politiek van aard was? “Niet echt.”

Niet echt? Want de film is gebaseerd op ervaringen van uw eigen grootmoeder, die vanwege de bouw van een dam gedwongen werd haar huis en geboortegrond te verlaten. “Dat is waar, maar mijn motief om de film te maken had meer te doen met het verstrijken van de tijd. Die vicieuze cirkel waarin alles ronddraait. Een verhaal zonder einde. Over leven en dood. Oud en nieuw. Moderniteit en traditie. Een levenscyclus die zichzelf steeds opnieuw geboren laat worden. En het belangrijkste daarbij is dat het leven zich niets aantrekt van ons bestaan. Of de mens leeft of sterft: dat kan het leven op aarde niks schelen. Ook al overkomt Mantoa al die ellende in de film: het leven draait door.”

Ze zegt het ook hardop: dit alles betekent niets. “Dit betekent niets. Dat waren de eerste woorden die me te binnen schoten toen ik nadacht over wat uiteindelijk deze film zou worden. Later kwam daar een ander belangrijk idee bij. Toen ik mijn korte film Behemoth: Or the Game of God aan het maken was, realiseerde ik me dat ik mijn moedertaal kwijt was. [Mosese heeft het over zijn ‘mother tongue’, RR] Ik sprak Frans, ik sprak Italiaans. Ik sprak alle cinema die ik had bestudeerd. Ik was niets aan het nabootsen, maar ik spraak de taal van cinema. Alleen, dit was niet mijn taal. Een van de redenen om This Is Not a Burial te maken, was de wens om me weer met mijn moedertaal te verbinden. Met de grond, met de aarde zelf.”

Hoe doe je dat, als je gehuld bent in al die andere talen? “We besteden jaren aan het leren maken van films maar ik denk dat je al die kennis op een bepaald moment ook weer moet ontleren. Ontleren hoe je een film maakt en de mogelijkheid creëren dat je over je onderwerp en je film struikelt. Zonder vooropgezette ideeën je onderwerp benaderen. Wat mij hielp was mijn fantasie. Ik was opgegroeid met Basuto-folklore [Lesotho heette voor 1966 als Britse kolonie Basutoland, RR]. De orale overlevering.
“Ik herinner me die dingen. Dat we elk Nieuwjaar naar mijn grootmoeder gingen en zij met z’n allen een grote berg op gingen ‘om de zon te zien dansen’. Ik werd altijd te laat wakker dus ik miste dat en begon me een eigen voorstelling te maken van de dansende zon. Mijn fantasie gebruikt zulke beelden, zulke bronnen om verhalen te maken. Uit de orale poëzie van mijn jeugd. Ik heb dat allemaal weggestopt toen ik ging studeren. Toen wilde ik Franse ogen lenen om Franse film te bestuderen. Later moest ik die ogen weer kwijt zien te raken. Toen wij opgroeiden was ‘wit’ altijd beter. In alles. Dat werd ons geleerd.
“Kijk naar revoluties. Mensen denken vaak dat ze na een revolutie vrij zijn. Maar dan begint het pas: dan pas kun je proberen de ideeën te vergeten die je zijn opgedrongen. Dat is niet meer het geweld van wapens. Dat is het geweld van shit ontleren.”

‘Een nieuwe visuele taal ontwikkelen die de clichés over Afrikaanse cinema vervangt’, omschrijft de brochure bij Vive le cinema! een van de motivaties achter uw werk. Dat is een politieke daad nietwaar? “Dat is het zeker.”

De aanwezigheid van de christelijke priester in de film is paradoxaal. Eerst helpt hij de bewoners een brief formuleren om de bouw van de dam te stoppen. Later verliest Mantoa het vertrouwen in de christelijke god en laat de priester vallen. Kun je zeggen dat Mantoa pas haar kracht terugkrijgt, haar superkracht als het ware, als ze de christelijke religie laat vallen? “Ja. Want dit is het conflict in mij: ik ben de priester en ik ben Mantoa. Elke kolonisator is een prediker en wat mij is verteld, zit in mij. Dat is ook wat ik moet ontleren om dichter bij mijn moedertaal te komen. En misschien vind ik later in mijn eigen spiritualiteit wel weer iets wat op de christelijke god lijkt. Maar dat moet ik zelf ontdekken.”

In de film worden de dorpsbewoners gedwongen te verhuizen omdat zij het land niet in bezit hebben. Het behoort van oudsher aan de koning. Zo zijn ze voor altijd speelbal van hogere machten. Hoe doorbreek je dat? “Ik wilde vooral laten zien dat ze het niet wisten. Ze voelden zich verbonden met het land alsof het van hen was. Dat ze via navelstrengen verbonden waren met de grond waarin hun moeders en vaders begraven liggen. Dat land is hun leven. En toch is het niet hun bezit.”

Hoe kun je die afhankelijkheid en machteloosheid doorbreken? “Misschien is het gevaarlijk dat ik dit zeg, maar ik ben bang dat dat alleen met geweld kan.”

Onvermijdelijk komen we uit bij marxisme? “Deze mensen zullen voor altijd gedwongen worden te verhuizen, omdat ze het land niet bezitten. Met elke nieuwe dam worden ze weggespoeld.”