Alejandro Landes over Imagine-openingsfilm Monos

Prachtig en grotesk

Imagine Film Festival 2019 belooft veel goeds: het festival voor genrecinema opent morgenavond met een film die de filmfestivals van Berlijn en Sundance omver blies. Het caleidoscopische Monos stort zich in de explosieve wereld van Colombiaanse kindsoldaten. Wat Alejandro Landes’ oorlogsfilm bijzonder maakt is dat die voorbij politiek, ideologie, genre en zelfs gender durft te kijken. “Monos wil zonder die hokjes”, aldus de Colombiaanse regisseur.

Het was “een mix van onwetendheid, gekte en waanzin” die Alejandro Landes voor zijn tweede speelfilm (na documentaire Porfirio en debuut Cocalero) naar de jungle van Colombia dreef om de chaos van een van de langstlopende guerrilla-oorlogen te filmen. Niet op de frontlinies, waar paramilitaire groeperingen aan de twee kanten van het politiek spectrum het tegen elkaar opnemen, maar juist aan de lome, snikhete achterkant van de oorlog. Talloze jongeren worden daar volwassen als soldaat in een oorlog zonder schijnbaar eind.

In Monos vangt Landes de belevingswereld van zulke rebelse pubers, die allen ook op hun eigen manier in een innerlijk, hormonaal conflict verstrikt zijn. Terwijl zij kampen met hun explosieve identiteit, seksualiteit en gender, popelen ze om zich in dat grotere externe conflict te storten, waar de Kalasjnikovs eindelijk af mogen gaan. In een koortsachtige, haast psychedelische stijl laat Landes die twee werelden samensmelten, met dank aan een intense soundtrack van Mica Levi en de indringende beelden van Nederlandse cameraman Jasper Wolf. Over Wolfs bijdrage vertelt Landes in Berlijn: “De omstandigheden van de shoot waren afmattend. De hoeveelheid personages, alle beweging. We zaten beiden tegen de limiet van wat we konden, lichamelijk en intellectueel gezien. Ik kan me weinig andere mensen voorstellen met wie ik deze film had kunnen maken.”

Monos is meedogenloos en realistisch in zijn verbeelding van het leven als kindsoldaat in de jungle. Wat motiveerde u om zo’n intense film te maken? “Het voelt altijd alsof ik een sprong waag met mijn films. Als ik spring, realiseer ik me nog niet hoe diep het is. Zou je immers springen als je het wel wist? Een film als deze plan je dus niet eventjes. Die leef je en die maak je. Voor mij is deze film wel geboren uit een heel specifiek moment: er is nu eindelijk sprake van vredesonderhandelingen tussen de verschillende groeperingen. Tegelijkertijd kijk ik naar de wereld en zie ik overal dezelfde chaos. Alles is gefragmenteerd en rommelig. De wereld is in een oorlogsnevel gehuld. Neem de conflicten in Irak, Syrië, Afghanistan. De grenzen zijn vervaagd. Dit is niet WOII waar je wist aan welke zijde je stond.”

Dat eenzijdige narratief zijn we verloren. “En dat geeft ons de mogelijkheid om politiek en ideologie te vergeten, en het over echte mensen te hebben. Ja, dit is een oorlogsfilm, maar ik heb het niet over de frontlinie. Dat romantische ideaal van heroïsch bloedvergieten bestaat niet. In Monos belandt je daarom achteraan de oorlog.”

Waar vooral gewacht wordt. “Is dat niet het grootste onderdeel van oorlog?”

Monos

Koos u er daarom voor om niet te veel in te gaan op de specifieke politieke omstandigheden van de oorlog? “Mensen die vechten, denken niet aan Marxistische ideologie of de idealen van het vrijemarktkapitalisme. Wat ze aan hun hoofd hebben is: de mensen van wie ze houden, met wie ze willen zijn, wat ze voelen in hun lijf, wat ze die avond gaan eten. Het zijn mensen die vechten. Dat is het enige gegeven. Dus het gaat niet om de jongens tegen de meisjes, links tegen rechts. Het gaat dieper dan dat.”

U kiest voor een coming-of-age, waarin tieners ook worstelen met hun identiteit. “Die periode is één lang innerlijk conflict. Het lichaam verandert, er is een metamorfoses gaande. Het is prachtig en grotesk. Dat innerlijk conflict is een mooie spiegel voor het conflict dat in de buitenwereld woedt. Dit is een film over mensen en lichamen, die toevallig in een oorlog verwikkeld zijn.”

Monos kijkt nooit weg van de traumatische gebeurtenissen van de oorlog en alsnog verbeeldt u deze jongeren niet als slachtoffer. Waarom? “Niemand wil dat kinderen in oorlogen vechten. Ik maak daar geen film over, want dat ligt te zeer voor de hand. Ik zie Monos liever als deel van een gesprek. Mensen nemen stellingen in: ben je communist of kapitalist? Links of rechts? Jongen of meisje? Lekker makkelijk, maar Monos wil juist zonder die hokjes. En ja, de film is gewelddadig, maar is dat exploitatie? Het uitvergrote geweld van tien mensen neerschieten zonder erbij te zweten wil ik niet filmen. In detail tonen hoe iemand leeft met het geweld dat diegene heeft aangericht, dat wil ik wel.”

Over hokjes gesproken: journalisten vergelijken deze film inmiddels met Lord of the Flies en Heart of Darkness, broeierige werken over oorlogsgeweld in verre oorden. Vind u het vreemd dat Monos op een hoop wordt gegooid met boeken die geschreven zijn vanuit koloniaal perspectief? U lijkt namelijk post-gender, post-genre en al helemaal postkoloniaal te werken. “Ik ben blij dat je het zegt. Ik hoorde Duitse critici zelfs de vergelijking maken met Werner Herzogs Aguirre, der Zorn Gottes, en om eerlijk te zijn heeft Monos daar niets mee te maken. Dat is een westers, koloniaal perspectief. Dit is verteld vanuit de binnenkant. Dit zijn de verhalen van mensen uit dit land, letterlijk in sommige gevallen.”


Monos is deze week nog te zien op Imagine Film Festival en draait vanaf 5 september 2019 in de bioscoop.