Buiten beeld #15: Filmmuziek

'Je komt niet al bij de eerste traan met de eerste noot'

Foto’s: Maricke Nieuwdorp

Wie werken er achter de schermen naast regisseurs en acteurs? Wie schrijft het script, wie zorgt voor aankleding, het geluid, de dieren en de cast op de set? De Filmkrant belicht in deze ‘achter de schermen’-serie steeds een ander vakgebied. Deze maand: de componist van Zomervacht.

Contrast is een prachtig element in filmmuziek, vindt filmcomponist Rutger Reinders (1980). “Het zorgt voor rijkdom en gelaagdheid. De muziek die Jonny Greenwood bijvoorbeeld componeerde voor Paul Thomas Andersons Phantom Thread (2017) is het beste, meest originele ding dat ik in jaren gehoord heb. Anderson vroeg Greenwood om diens meest romantische muziek te componeren. Juist omdat Greenwood als bandlid van Radiohead met soms depressieve ondertonen werkt, leverde dat een interessante score op.”

Filmmuziek componeren is uiterst technisch, maar net zo goed een kwestie van ervaring opbouwen en gevoel. Reinders: “Je moet hoe dan ook nooit teveel zijn, te vroeg of gelijktijdig. Als iemand in een scène breekt, kom je niet met de eerste noot op die eerste traan. Er moet een ‘indaalmoment’ zijn. Alle muziek moet secuur gekozen zijn. Het mag knallen in emotioneel opzicht, maar het mag – moet – ook stil zijn.”

Hoe snel of langzaam een compositie is, ligt bijvoorbeeld ook aan het aandeel dialoog, het plot en de te verwachten hoeveelheid beelden, zo legt Reinders uit. “Dat is allemaal van belang om te weten voor hoe je zoiets aanvliegt.”

En dat weet Reinders inmiddels prima. Met composities voor films als Hemel (Sacha Polak, 2012), Brozer (Mijke de Jong, 2014), Zurich (Polak, 2015), Broers (Bram Schouw, 2017), Dirty God (Polak, 2019), Dead and Beautiful (David Verbeek, 2021) en Knor (Mascha Halberstad, 2022) heeft hij een indrukwekkende staat van dienst in de Nederlandse arthousefilm. Hij werd genomineerd voor een Gouden Kalf voor Zurich en hij won het Gouden Kalf voor de Beste Muziek voor Dirty God.

Dat Reinders muzikaal was, bleek al vroeg. Hij was al jong aan het ‘klooien’ met een keyboard, waarna hij achtereenvolgens de piano van zijn zus kaapte en een gitaar van zijn broer. Toch realiseerde hij zich later, op het conservatorium, dat hij geen uitvoerder pur sang was. “Het technisch heel goed spelen van andermans stukken en die eeuwige toonladders deden iets met mijn aanvankelijke spelplezier. We noemen het niet voor niets muziek spélen.”

Hij had niet de ambitie om op hoog niveau één bepaald instrument bespelen. “Liever juist zoveel mogelijk instrumenten en een zo breed mogelijk spectrum aan muziekstijlen.” Daarom besloot hij voor de makerskant te kiezen, als componist. Vanwege het technisch aspect, besloot hij na het conservatorium ook nog een jaar engineering mee te pakken. Via commercials kwam hij terecht in wat hij werkelijk inspirerend vond: filmmuziek. De kans die hij kreeg via zijn toenmalige partner, regisseur Sacha Polak, verzilverde hij vervolgens razendsnel, ook bij andere makers. Momenteel werkt Reinders aan de score van Zomervacht, het regiedebuut van Joren Molter, naar de gelijknamige bestseller van Jaap Robben.

Spelen met verwachtingen
Reinders werkt op een oude scheepswerf in Amsterdam-Noord, onder de helling waar decennia geleden schepen te water werden gelaten. Zijn werkruimte is ingericht om een zo’n ‘eerlijk’ mogelijk beeld te krijgen van wat er uit z’n speakers komt. Dat betekent dat een gespecialiseerd bedrijf middels ingenieuze berekeningen gezorgd heeft voor wat in vaktermen ‘akoestische inrichting’ heet. Om de galm – de geluidsweerkaatsing tussen muren – te beperken, zorgen de met een soort foam geplakte muren voor het ‘absorberen en diffuseren van geluid.’ Op de grond liggen daartoe ook diverse tapijten.

Dan de instrumenten. Want natuurlijk zijn die er. De studio is gevuld met keurig in ‘t gelid staande en hangende gitaren. Van een ukelele tot aan diverse akoestische gitaren en elektrische. Eveneens ruim aanwezig: boven elkaar opgehangen synthesizers, een piano, een saxofoon en een compleet drumstel in een afgesloten opnameruimte. Dan de hele technische bups; de computers, de beeldschermen, vele, vele kabels, knipperende tuners en versterkers.

Reinders kan zelf de meeste gitaar-achtige instrumenten bespelen en ook met toetsen komt hij een heel eind. Als hij een instrument besluit in te zetten waar hij niet mee uit de voeten kan, dan huurt hij bijvoorbeeld een violist of klarinetspeler in. Of een compleet ensemble. Spelen zij in kleine samenstelling, dan nemen ze op in zijn eigen studio, anders wordt er een grote opnamestudio geboekt.

“Ik houd persoonlijk van kleine bezettingen, maar soms heeft een film juist wat meer vuur nodig. Groot kan ook heel vet zijn. Als je een blockbuster uit Hollywood naast een Nederlandse arthousefilm legt, dan zijn de verschillen in compositie enorm. De kleine film heeft minder plot, tragere beelden, minder beweging en dus ook minder muziek – subtieler in ieder geval. Kinderfilms, ook Nederlandse, kunnen juist opvallender muziek gebruiken en de score van een komedie mag best over the top zijn. Een film is als een zangeres: die moet de ruimte krijgen, begeleid worden en kunnen ademen. Er moet rust zijn om de knip te maken, om iets in te laten dalen. Filmmuziek speelt met de verwachtingen.”

Moods, tracks en cues
Als filmcomponist is Reinders niet op de set te vinden. Zijn proces begint al veel eerder, bij lezing van het scenario. Zodra hij een script binnenkrijgt, neemt hij het diverse keren aandachtig door. “Dan krijg ik eerste ideeën over instrumentatie en de stijl. Wordt het klassiek, of juist met houtje-touwtje belletjes?” Hij probeert daarnaast uit het scenario te destilleren of het bijvoorbeeld een pure komedie betreft, of een film met subtielere tongue in cheek-elementen. “Het is belangrijk om dat in een vroeg stadium vast te stellen, want het maakt uit voor het soort muziek dat je ervoor schrijft.”

Muziek componeren op beeld is, zo vindt hij, beperkend. “Dan zie je een zielige scène en associeer je dat direct met een viool. Mensen denken regelmatig dat een componist naar de geschoten opnames kijkt en vervolgens uit de losse pols muziek inspeelt, maar zo werk ik helemaal niet.”

Na lezing van het scenario deelt Reinders zijn ideeën voor de score met de regisseur, door middel van een door hem samengestelde playlist op Spotify. “Ik stuur ook een argumentatie mee waarom ik voor bepaalde elementen pleit.” Vervolgens kopt de regisseur dit terug, met eigen input en wensen. “Als we op zeker niveau overeenstemming hebben bereikt, dan sluit ik mezelf daarna zo’n drie weken op om een eerste versie te componeren; een eindeloos scala aan moods te maken, met tracks en cues.”

Aan het begin van de montagefase levert hij al een ruwe schets van zijn eigen compositie zodat deze gebruikt kan worden in de edit. Dit doet Reinders bewust, omdat er anders zogenaamde ‘temps’ gebruikt worden: fragmenten uit bestaande composities. “Editors, producenten en regisseurs lopen dan het risico ‘temp love’ op te lopen: ze kunnen warm draaien voor die tijdelijke muziek. Als dat het geval is, ben je als componist vervolgens iets aan het maken dat ‘zo goed is als…’ Ik wil juist zo dicht mogelijk bij mezelf blijven.”

Door eigen temps te leveren, wordt zijn uiteindelijke werk geen vervanger van iets dat al bestaat. “Als na inlevering van de eerste ruwe muziekversie de helft al raak blijkt, dan zit je heel goed. Na de eerste editversie ga ik sleutelen en omgooien, waardoor film en muziek op een organische manier naar elkaar toe groeien.” Zo’n compleet proces kan qua periode erg verschillen: “Een enkele keer doe ik er een paar weken over, soms duurt het van begin tot eind wel vier maanden.”

Vooral met de editor heeft hij op een zeker moment korte lijntjes, maar de regisseur bepaalt uiteindelijk wat hij of zij mooi vindt. “Dat is vooral een kwestie van kiezen uit de opties die ik als componist aanreik. Heen en weer pingpongen kan altijd. Hoe langer ik in het vak zit, hoe makkelijker het wordt om vrij te werken en te creëren. Ze vragen niet voor niets juist mij.”


Zomervacht wordt in 2023 verwacht in de bioscoop.