Berlinale 2026: Opening
De markt reguleert zichzelf
No Good Men
Filmkrant doet de komende tien dagen verslag vanaf de 76e editie van de Berlinale, waar het meer dan ooit schatgraven lijkt te zijn naar pareltjes van opkomende makers.
“De eerste romkom uit Afghanistan”, dat voelt als een toepasselijke opener van de 76e editie van de Berlinale. Shahrbanoo Sadats derde speelfilm No Good Men belooft de val van Kabul op 15 augustus 2021 op publieksvriendelijke wijze te verbeelden: geen politieke horror over de Taliban die de stad verovert, maar een romantische genrefilm waarin de regisseur zelf de hoofdrol vertolkt als een camerapersoon die verstrikt raakt in een tumultueuze affaire.
In een interview met The Guardian omschreef Sadat de film als “een eerbetoon aan mensen die plezier en verbintenis vinden, ondanks tumult, geweld en repressie”. Doelbewust vermijdt de regisseur van onder andere Wolf and Sheep (2016) en The Orphanage (2019) de typische oorlogsdrama’s die je uit Afghanistan zou verwachten, in de hoop dat het publiek de veerkracht van Afghaanse mensen ziet en niet de politieke slachtofferrol die hen vaak wordt aangemeten.
Die meer behapbare verpakking van een geopolitieke crisis lijkt goed aan te sluiten bij de koers die artistiek directeur Tricia Tuttle sinds haar aantreden in 2024 heeft uitgestippeld. Zij trof het festival in een eigen crisis aan: grote bezuinigingen voerden de druk op de organisatie op, terwijl filmmakers, activisten en journalisten de politieke identiteit van de Berlinale in twijfel trokken. De afgelopen jaren was de Berlinale bovendien een strijdtoneel waar de vrijheid om openlijk over de genocide in Gaza te kunnen spreken werd bevochten, terwijl de extreemrechtse AfD oprukte in de peilingen.
Omdat Gaza sinds het staakt-het-vuren minder media-aandacht krijgt, lijkt in ieder geval die politieke wervelwind voor Tuttle te zijn gaan liggen. Dat gaf haar de ruimte om meer op detailniveau te sleutelen aan de festivalstructuur. In meerdere interviews haalt ze aan dat haar hoofdprioriteit bij deze 76e editie ligt bij het versterken van de synergie tussen de pers, het algemene publiek en de EFM – de gigantische filmbeurs van het festival, waar sales agents, producenten en distributeurs de rechten van geselecteerde titels verhandelen. Hoofdzaak voor haar blijkt vooral om de EFM beter te ondersteunen en ervoor te zorgen dat de honderden titels die in Berlijn worden gelanceerd een plek vinden in bioscopen over de hele wereld.
Zo beschrijft ze in een interview met Screen Daily dat de markt van de Berlinale zich anders moet gaan verhouden tot Cannes en vooral Venetië, dat de afgelopen jaren uitgroeide tot het uitgelezen platform voor de grootste arthousetitels die vervolgens nog maandenlang – en vooral tijdens het awards season – de boventoon voeren in de filmtheaters en de media. De manie rondom dat prijzencircus claimt volgens Tuttle “veel zendtijd voor een beperkt aantal films”. Ze stelt dat de markt in Berlijn zich juist moet focussen op de rest van het jaar, wat suggereert dat ze de EFM wil gebruiken om relatief kleinere films een plek te geven in de minder zichtbare en minder lucratieve momenten op de filmkalender. Op het gebied van programmering betekent dat “een scherper onderscheid tussen de verschillende festivalsecties, zodat kopers de juiste films kunnen vinden”.
Tuttle werd in eerste instantie aangesteld met de opdracht om de Berlinale meer op Cannes te laten lijken, met grotere titels, belangrijkere sterren op de rode loper en daardoor meer geld dat gaat rollen. Die ambitie lijkt te zijn opgegeven, getuige een festivalprogramma van grofweg 270 films die grotendeels aanvoelen als de kruimels die de grotere festivals hebben laten liggen. De 76e editie van de Berlinale wordt gekenmerkt door relatief onbekende auteurs in de competitie, een schaarste aan sterren op de rode-loperpremières en vooral ontzettend veel opkomende makers die via parallelle secties als Panorama en Perspectives hopen door te breken. Je zou kunnen zeggen dat de Berlinale zijn fiches steeds meer over de roulette-tafel heeft verspreid, in de hoop dat een brede programmering voorziet in de nieuwe behoeftes van de markt.
De grootste titel in de 22 films tellende hoofdcompetitie is zonder meer At the Sea. De Hongaarse regisseur Kornél Mundruczó (White God, 2014; Pieces of a Woman, 2020) staat bekend om ambitieuze, formalistische drama’s die alle registers durven open te trekken. De zesmaal voor een Oscar genomineerde ster Amy Adams speelt de hoofdrol in zijn nieuwe drama over een vrouw die aan de kust van haar verslavingen probeert af te kicken.
Andere bekende namen zijn de Braziliaan Karim Aïnouz (Motel Destino), die met Rosebush Pruning zijn vaste plek in Cannes een keer niet heeft geclaimd; de Australische Aboriginal filmmaker Warwick Thornton, die met Wolfram een western heeft gemaakt die de draad oppakt waar zijn Sweet Country (2017) ophield; en Angela Schanelec, de regisseur van Meine Frau weint, die geldt als een van de belangrijkste artistieke filmmakers in Duitsland. De pers uit de Benelux kijkt ook uit naar Dust, een corporate thriller van de Vlaamse regisseur Anke Blondé, een veelbelovende naam sinds haar doorbraak in 2019 met de onconventionele romkom The Best of Dorien B..
De parallelle secties Panorama en Perspectives vergen meer schatgraven. Cinefielen zullen vast en zeker hun weg weten te vinden naar The Day She Returns van de Zuid-Koreaanse microcinemalegende Hong Sang-soo, terwijl een meer mainstream publiek ongetwijfeld een kaartje probeert te bemachtigen voor Aidan Zamiri’s The Moment, een Spinal Tap-achtige mockumentaire over het ‘Brat Era‘ van megapopster Charli XCX. De rest van de titels heeft minder cachet, al helemaal in de vorig jaar ingestelde sectie Perspectives, waar veertien debuterende regisseurs zijn ondergebracht. In die sectie springt Truly Naked van Muriel d’Ansembourg eruit. Niet alleen omdat de regisseur in Nederland opkwam en met een Nederlandse producent haar debuut realiseerde, maar ook omdat het onderwerp – intimiteit en connectie in een door pornografie verzadigd internettijdperk – een prikkelende en taboedoorbrekende film belooft.
Ook de Nederlandse regisseur Mees Peijnenburg (Paradise Drifters) heeft opnieuw zijn weg naar Berlijn gevonden met A Family, een persoonlijk en intiem portret van een echtscheiding, verteld vanuit het perspectief van de twee kinderen. Carice van Houten speelt de moederrol en voorziet de film daarmee van de nodige internationale sterrenkracht. De film draait, zoals de afgelopen jaren veel films van prominente Nederlandse arthouseregisseurs, in het programma Generation 14plus, dat serieuze (en volwassen) films verzamelt die ook geschikt zijn voor een tienerpubliek. Acteur Joes Brouwers en regisseur Stijn Bouma versterken de Nederlandse aanwezigheid in Berlijn met hun deelname aan respectievelijk Shooting Stars en Berlinale Talents – talentprogramma’s van het festival waar professionals hun internationale netwerk en professionele oriëntatie verbreden.
Door de nieuw ingezette koers van Tuttle voelt het alsof de Berlinale dit jaar op een andere manier gezien wil worden. Ze stelde eerder dat ze “de angel uit het gesprek” met Arabische filmmakers had gehaald over het eerdere ontbreken van vrijheid van meningsuiting in de zalen van de Berlinale. Politiek lijkt zo steeds meer naar de achtergrond te verdwijnen. Sterker nog: tijdens de persconferentie op de openingsdag van het festival stelde juryvoorzitter Wim Wenders ronduit dat films “het tegenovergestelde van politiek” zijn. “Ons deze vraag stellen is een beetje oneerlijk”, voegde Ewa Puszczynska, de Poolse producent van onder andere Pawel Pawlikowski’s Cold War en Jonathan Glazers The Zone of Interest, eraan toe, nadat een journalist in de zaal vroeg naar de diplomatieke relaties tussen Duitsland en Israël en de manieren waarop zulke politieke constructen een rol spelen in de wijze waarop naar de geselecteerde films zal worden gekeken.
Omdat politiek volgens de toplaag van het festival zo veel mogelijk vermeden moet worden, is ‘product’ nu het de facto hoofdonderwerp van het festival geworden. De vraag is echter of Tuttle’s bredere programmering van kleinere titels een positieve draai kan geven aan een vluchtige markt, waarin de grotere films ongetwijfeld hun schaduw zullen blijven werpen over wat Berlijn nu te bieden heeft. In de wandelgangen wordt door journalisten en programmeurs voorlopig vooral veel geklaagd over de weinig aansprekende selectie. Zo komt er wellicht alleen maar meer druk te liggen op al die individuele opkomende filmmakers om de kwaliteit van hun werk te tonen.