Ozu gerestaureerd

Schitterende gebreken

Tokyo Twilight

Als vaandeldrager voor haar uitgebreide Shochiku-programma brengt Eye de laatste vier zwart-witfilms van de Japanse grootmeester Yasujirō Ozu opnieuw uit, waaronder zijn bekendste meesterwerk, Tokyo Story. De vier gerestaureerde werken zijn het perfecte excuus voor een (hernieuwde) kennismaking met een van de belangrijkste en meest intrigerende regisseurs ooit.

De Japanse filmstudio Shochiku is vooral bekend voor zijn zogenaamde shomin-geki: kleine, hedendaagse dramas over het gewone leven. Precies het tegenovergestelde dus van de historische epen die bijvoorbeeld Kurosawa en Mizoguchi graag maakten. Yasujirō Ozu begon zijn loopbaan bij Shochiku in de jaren twintig als camera-assistent en maakte er als regisseur uiteindelijk vijftig films.

Veel van zijn vroege werk bestaat uit charmante (zwijgende) komedies, waaronder het betoverende I Was Born But… (Umarete wa mita keredo, 1932), zijn eerste grote succes. De vier films die in het kader van Eye’s Shochiku-programma worden uitgebracht, zijn typerend voor de latere stijl waarmee Ozu nu het sterkst mee geassocieerd wordt. Het gaat om ingetogen zwart-wit drama’s die zich vooral binnen huiselijke kring afspelen, of preciezer gezegd, vaak heen en weer kaatsen tussen de plaats waar de personages wonen en waar ze werken.

Een van de mooiste elementen in Ozu’s werk, en dan vooral zijn naoorlogse films, is dat je Japan met elke film een beetje ziet veranderen. In Late Spring (Banshun, 1949) – een klassieker die geen deel uitmaakt van het retrospectief – is het naoorlogse Tokyo nog een vrij lege en rustige stad. Vijf films en zeven jaar later, als Early Spring (Soshun, 1956) uitkomt, is de hoofdstad de drukke wereldstad geworden die we kennen, toen ook al inclusief knipperende lichtreclames.

Early Spring

Kleine momentjes
Achter ieder raam van ieder gebouw voltrekken zich in die stad kleine drama’s die de specialiteit werden van de regisseur en zijn co-scenarist Kogo Nada. Kantoormedewerkers die een buitenechtelijke relatie proberen te verbloemen in Early Spring; een jonge vrouw die de relatieproblemen van haar gehuwde oom en tante gebruikt als excuus om zelf niet te hoeven trouwen in The Flavor of Green Tea Over Rice (Ochazuke no aji, 1952); de (schoon)ouders die op bezoek komen maar waar het gezin helemaal geen tijd voor heeft in Tokyo Story (Tokyo monogatari, 1953); twee zussen die hun moeder op latere leeftijd leren kennen in Ozu’s laatste zwart-wit film, Tokyo Twilight (Tokyo boshoku, 1957).

Hoe Ozu de denkwereld van zijn personages uiteenzet, via vele kleine momentjes die bij elkaar opgeteld moeten worden, is prachtig om te zien. De uitkomst van die optelsom is niet altijd eenduidig; eerder het tegenovergestelde. Voor veel van de hoofdpersonen van deze vier films botsen hun ideeën en verlangens met wat de Japanse gewoonten en tradities voorschrijven. Maar daardoor zijn ze nog niet direct vernieuwend of progressief. Veel van hen bevinden zich juist in de nauwe ruimte tussen traditie en moderniteit; net als Japan zelf na de oorlog, dat opeens een nieuwe identiteit moest vinden zonder dat het alles wat eeuwenlang normaal was zomaar overboord kon gooien.

Tokyo Story

De moeite om te liegen
Setsuko uit The Flavor of Green Tea Over Rice, bijvoorbeeld, wil niet uitgehuwelijkt worden. Het huwelijk van haar oom en tante, Maeko en Mokichi, die zelf geen kinderen hebben en Setsuko bijna geadopteerd lijken te hebben, is niet bepaald een lichtend voorbeeld. Dat lijkt op zich iets wat een jonge vrouw in de vroege naoorlogse periode voor het eerst zou kunnen bereiken, nadat de Amerikaanse bezetter Japanse vrouwen stemrecht en andere rechten had gegeven in de nieuwe “Japanse” grondwet van 1945-47. Maar is niet willen trouwen een progressief idee als de reden vooral het feit is dat het huwelijk van je oom en tante niet perfect lijkt te werken?

Ozu maakt van Setsuko geen feministische heldin maar plaatst juist het huwelijk van de oudere generatie onder de loep. Het wordt al vroeg in de film duidelijk dat dit huwelijk niet veel voorstelt als Mokichi een excuus zoekt om er tussenuit te knijpen naar een kuuroord met een paar vriendinnen. Ze stelt voor om te zeggen dat Setsuko ziek is geworden, maar dat plan valt in duigen als de communicatie tussen de verschillende partijen niet verloopt zoals gepland. Later, als ze haar man opbelt vanuit het kuuroord, lijkt Mokichi nogmaals niet heel goed op te passen en het wordt langzaamaan duidelijk dat het haar misschien niet echt kan schelen of haar man ontdekt wat ze werkelijk aan het doen is. Misschien is het genoeg dat hij weet dat ze gelogen heeft, zodat de schijn van een goed huwelijk kan worden voortgezet. Een van de andere personages zal later met afschuw spreken over stellen die “niet eens de moeite meer nemen om tegen elkaar te liegen”, wat deze indruk nog eens versterkt.

The Flavor of Green Tea Over Rice

Medemenselijkheid
De jongere Setsuko denkt dat ze moderner is, dat ze niet verstrikt wil raken in een relatie die veel moeite kost en waarin mensen blijkbaar liegen of ongelukkig zijn (of, erger nog, beide). Maar dan komt een prachtige lange scène in de keuken, waarin Maeko en Mokichi samen proberen iets te eten te vinden (normaal gesproken hebben ze daar een keukenhulp voor). Ze praten over hoe eenvoudig ze hun rijst graag eten – droog, of met soep of thee – en de verschillen tussen hen lijken ineens grotere vragen op te roepen: Wat is de definitie van eenvoud? Wat zijn manieren? Hoe moeten we ons samen gedragen als ieder individu dingen anders ziet?

Op het moment dat ze dat inzien, wordt hun gedeelde menselijkheid ineens veel sterker dan hun verschillen. Wat betekent dat voor Setsuko en de mogelijke man in haar leven? Ozu laat de deur hier op een kier staan; hij is te fijnzinnig om er een happy end of een feministische bevrijding aan te breien. Zoals vaak in zijn films laat hij de waarheid in het midden en laat hij vooral zien dat niet alles eenvoudig is.

Als ik nadenk over de complexe relaties die in Ozu’s films onderzocht worden, tussen mannen en vrouwen maar ook tussen zussen en hun moeder of (groot)ouders en hun (klein)kinderen, moet ik vaak denken aan kintsugi of kintsukuroi, de Japanse kunst van het repareren van keramiek met goud. Ozu’s films zijn heel kalm, met die camera die bijna nooit beweegt en vrij laag de vaak zittende personages gadeslaat, alsof je met hen in gesprek bent. Ze hebben het te druk met het praten over alledaagse dingen om het over de belangrijke dingen in het leven te hebben. Meestal komt ze dit goed uit, want het is natuurlijk veel makkelijker om over alledaagse dingen te praten. (Totdat het soms te laat is, zoals in het laatste, hartverscheurende deel van Tokyo Story.) Anderen hebben het te druk met de schijn ophouden.

Het knappe aan de schijnbaar onverstoorbare manier van filmen en vertellen van Ozu is dat hij er uiteindelijk voor zorgt dat je als kijker toch alle breuklijntjes en barsten van zijn personages gaat zien. Dat is schitterend, want daar zit het goud.


Het programma Shochiku 100 is t/m 2 maart te zien in Eye Filmmuseum, Amsterdam | The Flavor of Green Tea over Rice (1952), Tokyo Story (1953), Early Spring (1956) en Tokyo Twilight (1957) zijn nu landelijk te zien, ook via Picl.nl.