Fatih Akin over Der goldene Handschuh

In de schaduw die Jack bouwde

Dezelfde kritiek die vorig jaar werd geuit op Lars von Triers geweldsepos The House That Jack Built is ook dubbel en dwars van toepassing op Fatih Akins seriemoorde-naarsbiografie Der goldene Handschuh. Gaat dit geweld tegen vrouwen te ver? En wat zegt het over de maker dat hij het toch wil maken?

Lars von Trier spookte afgelopen februari rond op het filmfestival van Berlijn na de première van Der goldene Handschuh. Een jaar eerder zorgde hij voor commotie in Cannes met seriemoordenaarsfantasie The House That Jack Built, waarin hij bewust de grenzen opzoekt van hoe mannelijk geweld in film verbeeld kan worden.

Aan de hand van het leven van de fictionele, moordlustige Jack probeerde de regisseur van Dancer in the Dark (2000), Dogville (2003) en Antichrist (2009) zijn eigen gewelddadige oeuvre in perspectief te zetten. Bestaat er zoiets als functioneel lichamelijk en emotioneel geweld? En hoe stop je dat in een film? En als er grenzen zitten aan de hoeveelheid geweld die je toont, wat gebeurt er dan als je daar toch overheen gaat?

In Fatih Akins seriemoordenaarsbiografie Der goldene Handschuh ontbreekt precies die zelfreflectie. Het geweld toont Akin wel. Sterker nog: qua intensiteit overtreft hij Von Trier. Het op ware feiten gebaseerde Der goldene Handschuh speelt in het Hamburg van de jaren zeventig. In de openingsscène zien we hoe de straalbezopen Fritz Honka (Jonas Dassler) het bont en blauw geslagen lichaam van een vermoorde vrouw misbruikt. Dit is zijn eerste lijk. Er volgen er meer en allemaal belanden ze op Honka’s kleine vliering.

Het echte werk
Een beetje historische context: dit is een film over rot en verval in het door trauma’s verscheurde naoorlogse Duitsland. Het is een onderwerp dat Akin, de uit Hamburg afkomstige, Duits-Turkse regisseur van onder meer Gegen die Wand (2004) en Aus dem Nichts (2017), aan het hart gaat.

Dit is ook een film over het seksuele geweld van een gefrustreerde en verslaafde man, en over hoe je zijn geweld het meest effectief in beeld kunt brengen. De hardste klappen, stoten en uithalen vinden overigens nét buiten het beeld plaats, bijvoorbeeld omdat de camera half achter een slaapkamerdeur staat. Akin wekt dan vooral de suggestie van geweld. Het echte werk laat hij aan onze verbeelding over, die keihard geprikkeld wordt door intens spel, realistische make-up en gedetailleerd geluidsontwerp. 

Dat is maar goed ook, zegt Akin na de eerste persvoorstelling in Berlijn. Volgens hem is het punt van de film dat we geconfronteerd worden met onze eigen sensatiezucht. “We leven in gewelddadige tijden en de media reflecteren dat. Je zet de televisie of een computerspel aan en je zit meteen middenin het geweld. Het raakt ons niet eens meer. We genieten van personages die andere personages pijn doen. Hoe kan ik laten zien dat dit mensen aantast? Hoe kan ik de angst laten zien die het afdwingt? Dat kan alleen door het echte werk te laten zien. Geweld wil ik niet vieren. Ik moet wel afwegen wat het publiek nodig heeft en wat het publiek niet nodig heeft.” 

Oldschool horror
Kan een regisseur weten wat een publiek nodig heeft? Weet het publiek dat zelf wel? Michael Haneke confronteerde ons daarmee in Funny Games (1997) en zijn eigen Amerikaanse remake van die film uit 2007. Deze insluipthrillers zijn gruwelijk sadistisch, juist omdat er geen functie is voor het geweld. Het gebeurt gewoon en je hebt het als kijker maar te accepteren.

Zo gaat het gefrustreerde publiek er vanzelf naar verlangen dat ook de slachtoffers van zich afslaan. Even krijgt het publiek in Funny Games wat het wil: zoete wraak, ontlading! Precies dan grijpt Haneke weer in: Funny Games spoelt terug naar het moment net voor de wraakactie. De tweede wraakpoging mislukt natuurlijk. De schurk is niet verslagen en het onvermijdelijke geweld dat daarop volgt komt nog veel harder aan. Zo wordt het hypocriete idee onderuit gehaald dat de ene vorm van geweld wel acceptabel is en de andere niet.

Ook een van Honka’s slachtoffers weet in Der goldene Handschuh van zich af te slaan. Maar ook zij krijgt het daarna harder te verduren en eindigt net als eerdere slachtoffers op Honka’s stinkende vliering. Heel even speelt Akin hier net als Haneke met onze filmverwachtingen. Hij geeft de vluchtige suggestie dat deze vrouw een zogenaamde final girl uit een oldschool horrorfilm als Halloween (1979) kan zijn, die het kwaad zal verslaan of in ieder geval zal overleven. Deze vorm van geweld zijn we al gewend, laat Akin zo zien, van de vele horrorfilms die Der goldene Handschuh zijn voorgegaan.

Omdat dit ook horror is, kan Akin zich dit geweld permitteren. Vindt hij. Want: “Is het doel van horror niet om angst aan te wakkeren? Voor mij is de vraag dus: hoe? En waarom? Ik zie geweld in de videogames die mijn zoon speelt. Daarin is het leuk, bijna komisch zelfs. Het is een virtuele ruimte vol geweld om van te genieten. Maar film is een serieuze zaak. Als er geweld in zit, vind ik dat je er bang van moet worden. Ik vind het hypocriet om geweld leuk te maken.”

Iggy Pop
De paradox is dat Akin toch wil dat Der goldene Handschuh het publiek vermaakt. Hij is zelfs trots op de reacties die de film heeft uitgelokt in Berlijn. “Deze première was de beste vertoning van mijn leven”, grijnst hij. “Al die reacties… Het was als een concert van Iggy Pop. Er waren wel duizend mensen die schrokken, lachten, wegliepen. Misschien hebben alle filmcritici die een probleem hebben met deze film het bij het verkeerde eind. Ik wil jullie niet beledigen, maar misschien is het publiek soms gewoon slimmer.” 

Of misschien is Akin gefrustreerd dat alle filmjournalisten zijn film met The House That Jack Built vergelijken en dat ze hem vragen waarom hij zoveel gruwelijke dingen in zijn film stopt. “Ik denk niet te veel na over die dingen”, is zijn eerste antwoord. “Ik maak de films die ik wil maken en Lars von Trier maakt de films die hij wil maken. Toen ik hoorde dat hij een seriemoordenaarsfilm maakte, heb ik besloten die niet te kijken. Al hebben Von Triers eerdere films mij enorm geïnspireerd. Iemand heeft me verteld dat er in zijn film kinderen worden vermoord en daar trek ik mijn eigen grens. Ik kan niet toekijken hoe een kind wordt vermoord. The House That Jack Built ga ik dus nooit kijken.”

Relativeringsvermogen
Waarom zouden we dan wel naar Der goldene Handschuh willen kijken, waarin het geweld tegen vrouwen nog veel erger is dan Von Triers geweld tegen kinderen? Joe Berlingers onlangs op Netflix verschenen Ted Bundy-biografiefilm Extremely Wicked, Shockingly Evil and Vile werd bekritiseerd omdat ervoor gekozen werd Bundy’s gruwelijke moorden bijna helemaal buiten beschouwing te laten. Akin doet juist het tegenovergestelde: hij kruipt letterlijk in de huid van Honka door de geweldstaferelen soms vanuit zijn perspectief te filmen. Alleen ontbreekt het Akin aan de afstand of het relativeringsvermogen om stil te staan bij waarom hij dat doet. 

Zeker nu #MeToo de filmindustrie heeft weten te confronteren met hoe wijdverbreid seksueel geweld is en hoe daar voor en achter de camera mee om wordt gegaan, voelt dit als een gemis. Akin kiest onvoorwaardelijk voor de male gaze van Honka. Hij filmt zelfs fantasiebeelden waarin de seriemoordenaar zich voorstelt hoe hij een jong, blond, maagdelijk meisje niet wil vermoorden, maar juist wil hebben. Hij stelt zich haar vastgebonden voor in een koelcel vol met worsten, als een jong stuk vlees om te begeren. Hij zal haar nooit echt hebben in de film, maar is dat de reden dat hij moordt? Akin geeft veel suggesties, maar zelden een antwoord. 

Uiteindelijk is hij ook niet echt geïnteresseerd in deze vorm van kritiek op zijn film. “We zijn verschillende mensen met verschillende instincten en ik vertrouw alleen op mijn eigen instinct. Als kijker weet je vooraf dat dit een film is over geweld. Dan moet ik dat wel laten zien. Ik kan ook geen film maken over seks zonder seks erin te stoppen. Hoe zou dat werken? Misschien is er een manier. Maar die ken ik in ieder geval niet.”