Venetië 2023, blog 7

Voorbij de migrant als arthouse-cliché

Io capitano

Ook in de festivalbubbel dringt de actualiteit door. Zo adresseren in Venetië dit jaar meerdere films de erbarmelijke omstandigheden van migranten die naar Europa trekken, al blijkt de vorm waarin deze films de migratiecrisis behandelen van wisselende kwaliteit.

De tachtigste editie van het filmfestival van Venetië wordt bevolkt door archetypes. Vampiers spookten al rond door vier van de films, verspreid over meerdere secties van het festival. Eerder schreven we ook over de huurmoordenaars in Aggro Dr1ft en The Killer — inmiddels zijn dat, aangevuld met de moordenaars uit Woody Allens verrassend goede Coup de chance en Richard Linklaters festivalfavoriet Hit Man, er ook al vier.

Je zou het kunnen zien als een uitwas van de filmische regressie die ik eerder beschreef, een teken dat filmmakers niet weten wat ze willen vertellen en daarom teruggrijpen op verhalen die eerder al bewezen dat ze werken. Maar, zoals KEES Driessen zo fijn uiteenzette, zulke archetypes dienen ook als uitstekende metafoor voor eigenlijk alles wat een filmmaker kan verzinnen: ‘seks, verslaving, eenzaamheid, migratie – de lijst is eindeloos.’

Dat brengt ons bij een derde terugkerend archetype in het programma dit jaar: de migrant. Ik noem het hier een archetype, omdat hedendaagse cinema vaak op een archetypische of clichématige manier omgaat met de verbeelding van migranten en vluchtelingen. Het zijn immers vooral Europese filmmakers van een zekere klasse en status die geëngageerde films maken over de vluchtelingencrisis. Archetypisch, omdat deze makers per definitie buiten hun bubbel tasten en uitkomen bij arthousefilms die eerder onze Europese blik herhalen dan de daadwerkelijke realiteit van migranten te vangen.

Een uitdaging bij het filmen van iets zo wezenlijks en urgents als de globale migratiestromen is dat je je amper nog kan verschuilen achter een metafoor. De vluchteling is al een metafoor voor zichzelf, een individueel symbool voor de opeenstapelende crises van het geglobaliseerde kapitalisme.

Edoardo De Angelis’ openingsfilm Comandante greep terug op een historisch verhaal, over een ongewone kapitein van een WOII-onderzeeër, om commentaar te leveren op het Italiaanse vluchtelingenbeleid van nu. Zo gaf de film een voorzet voor films die later in het festival observaties brachten over de aanzwellende migratiestromen, in gang gezet door oorlogen, klimaatcatastrofes, politieke repressie en economische ongelijkheid.

De Angelis’ landgenoot Matteo Garrone tikt de voorzet in met Io capitano, een emotioneel betrokken maar onevenwichtig vluchtelingendrama met de vorm van een roadmovie. Het is een film over twee jongens, neven en beste vrienden Seydou en Moussa, die in Senegal dromen over doorbreken in Europa met hun muziek. In het geheim sparen ze allebei genoeg geld om de tocht te maken naar Libië, om daar de zee over te steken naar Italië. Die tocht is lang en verraderlijk. Het beloofde autotransport naar Libië blijkt slechts tot midden in de Sahara te voeren, waarna de grote groep migranten hun reis te voet moet voortzetten. Vervolgens belanden ze in een door Libische gangsters gerunde gevangenis, waar ze de keuze krijgen tussen marteling of losgeld ophoesten. En eenmaal in Tripoli wordt Seydou naar voren geschoven als de kapitein van de roestende sloep die de oversteek naar Italië maakt, omdat hij als minderjarige minder gedoe zal krijgen met de Italiaanse grenspolitie.

Daar op zee eindigt Io Capitano, omdat daar meestal ook de droom van de vluchteling eindigt. Wij weten inmiddels allemaal hoe de meeste migranten in Europa worden ontvangen, als ze de gevaarlijke oversteek overleven.

Garrone’s aanpak is het tegenovergestelde van die van landgenoot Gianfranco Rosi voor Fuocoammare (2016). Rosi’s non-fictie hield vanuit Lampedusa Italië een spiegel voor over het gevoerde migratie- en asielbeleid. Hij liet de losgekoppelde realiteit zien van de Italianen op het eiland en de migranten die er arriveerden. Een analytisch werk van didactische en vlijmscherpe maatschappijkritiek die de bubbel van Europa liet barsten. Garrone verkent hier de keerzijde van en probeert de mensen die uit het Afrikaanse continent emigreren te humaniseren met sentiment en emotie.

Het is even nobel als naïef, want wat levert deze humanisering nou echt op? Als het benadrukken van de menselijkheid van een vluchteling nodig is om deze crisis serieus te nemen, dan is die crisis al lang niet meer op te lossen.

Een neveneffect van de humaniserende neigingen van Io capitano is dat de film een geijkte arthouse-logica op zijn personages loslaat. De film wil je schuldig laten voelen over het lot van deze jongens, maar grossiert ook in feelgood-momenten die je hoop geven voor het vervolg van hun tocht. Bewust of onbewust maakt Io capitano geen mensen van Seydou en Moussa, maar blijven ze filmpersonages, in een film die op het oppervlak van de migratiecrisis blijft dobberen.

Green Border

Een thematisch veel sterkere tegenhanger is Agnieszka Hollands Green Border, dat de erbarmelijke omstandigheden van migranten aan de grens van Polen en Wit-Rusland verbeeldt en in een grotere geopolitieke context plaatst. Deze ‘groene grens’, een bebost gebied tussen West-Europa en de Russische invloedssfeer, wordt door de Wit-Russische president Aleksandr Loekasjenko gebruikt als humanitair wapen tegen Europa. Wit-Rusland profileerde zich in het Midden-Oosten namelijk als veilig doorstroomland naar de Europese Unie, met als doel om West-Europa te destabiliseren met een grote influx aan migranten.

Eenmaal aangekomen bij deze groene grens begint voor de migrant een gewelddadig, dehumaniserend en uitputtend gepingpong tussen de twee landen. De Poolse grenspolitie veegt de migranten bij elkaar en duwt ze terug over de grens naar Wit-Rusland. In Wit-Rusland gebeurt hetzelfde. Dat gaat zo door ad infinitum. Niemand wil deze mensen huisvesten, waardoor ze in theorie eindeloos vast komen te zitten in dat groene stukje niemandsland.

Agnieszka Holland vervult op dit moment twee rollen binnen de filmwereld. De maatschappelijk geëngageerde regisseur van films als Europa Europa (1990) en In Darkness (2011) is sinds 2020 ook de president van de European Film Academy, een niet te onderschatten politieke functie. Het is duidelijk dat Green Border gemaakt is met die verantwoordelijkheid in het achterhoofd. De film is niet slechts een verbeelding van wat migranten meemaken in dat hopeloze grensgebied, maar biedt een groter plaatje van de andere actoren en partijen die betrokken zijn bij deze humanitaire crisis. Zowel de Poolse grenswachters die geïndoctrineerd worden om de migranten te ontmenselijken, als de activisten die illegale maar hoognodige hulp geven aan de verstrikte migranten.

Zo opereert de film zelf ook in een grijs gebied, ergens tussen cinema, journalistiek en politiek pamflet. Green Border zet dus hoog in en het is indrukwekkend hoe Holland de torenhoge ambities van de film weet te balanceren. Dit is een film die de actualiteit weerspiegelt, maar ook onze blik op de realiteit bevraagt. Het is een film die niet wil behagen, maar wil confronteren. Eentje die een persoonlijk verhaal in een grotere context weet te plaatsen en zo een systematische weergave van onrechtvaardigheid en ongelijkheid creëert. Van de films die in Venetië de migratiecrisis behandelen is het daardoor absoluut de sterkste. Wie weet zelfs sterk genoeg om later vanavond de Gouden Leeuw in de wacht te slepen.