Zwijgen is goud

Sunrise

Halsstarrig verzet filmster George Valentin zich in The Artist tegen de geluidsfilm. Dat anti-geluidsentiment komt niet uit de lucht vallen.

‘Cinema’ is what cannot be told in words. But just try and explain that to people spoilt by thirty centuries of chatter — poetry, novels, plays. You would have to begin by giving them back the eyes of a savage, or a child watching a Punch and Judy show, who is less interested by the story than by the hail of blows.
(Uit René Clairs autobiografie Reflections on the Cinema, 1953)

In The Artist, Michel Hazanavicius’ humorvolle hommage aan de stille film, kiest filmster George Valentin er anno 1927 voor om geen geluidsfilms te maken. Terwijl iedereen om hem heen, van studiobaas tot collega-acteurs, enthousiast wordt van de toevoeging van geluid, immers de logische volgende stap in de evolutie van cinema, omarmt hij deze toekomst niet. Geluid is voor hem — letterlijk — een nachtmerrie. Hij verkiest het verleden en wordt zo een zonderlinge eenling. De kunst van de stille film gaat met de komst van de geluidsfilm verloren, dat voelt Valentin instinctief aan.

Zijn verzet tegen geluid doet denken aan Charles Chaplin, die pas in 1936 (deels) overstag ging met Modern Times, een hybride tussen ‘talkie’ en stille film. Waarom Valentin zo koppig weerstand biedt, laat The Artist in het midden. Toch heeft zijn halsstarrigheid een historische precedent. Zijn anti-geluidsentiment komt niet uit de lucht vallen.

Net als Valentin vonden veel filmtheoretici en filmmakers uit die tijd geluid helemaal geen verbetering van het dertig jaar jonge medium, eerder een verslechtering. Had niet juist het voorliggende decennium voor eens en altijd aangetoond dat film een nieuw zelfstandig medium was, een eigen kunstvorm die zich na een lange worsteling losgemaakt had uit de ketenen van literatuur en theater enerzijds, en goedkoop vermaak als circus en kermis anderzijds? Werd cinema net volwassen, gooit geluid weer roet in het eten.

Terwijl filmmakers als F.W Murnau (Der letzte Mann, 1924; Sunrise, 1927) het aantal tussentitels zoveel mogelijk probeerden te beperken en het verhaal via beelden vertelden, kreeg men na de komst van geluid opeens krakkemikkige dialogen voor de kiezen. Vaak ook nog slecht verstaanbaar, want de microfoons uit die tijd waren nog niet zo gevoelig. En omdat camera’s niet meer met de hand bediend werden, maar motorisch aangestuurd, maakten ze een flink kabaal. Dus moesten ze in een geluidswerend omhulsel dat de camera vrijwel immobiel maakte. Dit betekende het (tijdelijke) einde van vloeiende camerabewegingen, die bijdroegen aan een elegante mise-en-scène. Die mise-en-scène is de motor van het verhaal, waarbij de relatie tussen camera, acteur en decor altijd betekenis heeft. De komst van geluid verstoort deze nadruk op kijken. Door de toevoeging van het gesproken woord hoeft de kijker minder op het beeld te letten. De geluidsfilm maakt een toeschouwer luier. Alles wat vroeger impliciet was, wordt expliciet. Cinema had de potentie kunst te zijn — en is dit soms nog — maar met de komst van geluid is film nadrukkelijk entertainment geworden. Dit verlies zorgt voor het melancholieke tintje dat over The Artist hangt.

‘Let us learn how to look at what is in front of us. Words have assumed too much importance. We know most word combinations by heart. But we have eyes and still don’t see.’ (René Clair)