Oscar-vooruitblik: Beste Internationale Film

Waar de Academy voorbij zijn grenzen kijkt

Parasite

De naamswijziging van de Oscar-categorie voor ‘Foreign Language Films’ naar die voor ‘International Feature Films’ heeft gesteggel over taalrestricties allesbehalve uitgebannen. Maar wat betekent het voor films uit kleinere landen om ingezonden te worden? Pamela Biénzobas bekeek ruim de helft van de 93 inzendingen van dit jaar en rapporteert haar bevindingen.

‘Niet-Engelstalige films langer dan veertig minuten geproduceerd buiten de Verenigde Staten’. Nee, het is niet bepaald een sexy naam voor een Oscar-categorie, maar dit zou wel het meest accurate label zijn voor de categorie die voorheen ‘Foreign Language Films’ heette en voor de aanstaande 92ste editie van de Academy Awards of Merit is omgedoopt tot ‘International Feature Films’. Dat zijn namelijk de criteria waarin een film moet voldoen om in deze categorie mee te mogen dingen: 1) Speelfilmlengte, wat door de Academy is gedefinieerd als langer dan 40 minuten; 2) geproduceerd buiten de V.S.; en 3) voor minstens de helft gesproken in een andere taal dan Engels.

Laat je niet misleiden door de bombarie waarmee vorig jaar de naamswijziging van de categorie werd gepresenteerd: het is simpelweg een welkome stap weg van het idee dat elke andere taal dan Engels ‘buitenlands’ is. Toch is de prijs nog altijd beperkt door die aloude taalrestricties, hoe “internationaal” een film ook is (vanuit Amerikaans perspectief, uiteraard). Een Amerikaanse productie die grotendeels in een andere taal dan Engels is gesproken, bijvoorbeeld omdat hij in een buitenlandse cultuur speelt, voldoet niet aan de “internationale” vereisten, en ook niet-Amerikaanse films die grotendeels Engels gesproken zijn, vallen buiten de boot.

Tegelijkertijd worden (grotendeels) Engels-sprekende landen buiten Amerika beperkt in hun mogelijke inzendingen. Zij zijn gedwongen een nationale productie te selecteren die in een andere officiële landstaal is gesproken (zoals Canada dit jaar koos voor het opmerkelijke, Frans gesproken Antigone van de Québécois filmmaker Sophie Deraspe), of voor een film gemaakt door een landgenoot in het buitenland. Zo stuurde Australië dit haar Buoyancy in, een ‘Aussie’ productie van ‘Aussie’ regisseur Rodd Rathjenm, maar gedraaid in Cambodja met een Camodjaans-Thaise, Khmer en Thais sprekende cast rond de indrukwekkend debuterende tiener Sarm Heng.

Ierland vaardigde Gaza af, een documentaire opgenomen in dat Palestijnse gebied door Garry Keane en Andrew McConnell die in première ging op het Amerikaanse festival Sundance. Buurland het Verenigd Koninkrijk opteerde voor het regiedebuut van de gerenommeerde Britse acteur Chiwetel Ejiofor, bekend van o.a. Twelve Years a Slave. Ejiofor nam zijn The Boy Who Harnessed the Wind, gebaseerd op de gelijknamige memoires van William Kamkwamba, op in Malawi, voornamelijk in de lokale taal Chewa. De Britse inzending blijkt een van de schaarse films gemaakt in sub-Sahara landen die de Academy bereikte, naast het Keniaanse Subira (Ravneet Sippy Chadha), het Ghanese Azali (Kwabena Gyansah), het Senegalese Atlantique (Mati Diop, Frans van Senegalese komaf) en het Ethiopische Running Against the Wind van de Duitse filmmaker Jan Philipp Weyl.

Lionheart

Opvallend genoeg vielen juist twee films met Nigeriaanse hoofdpersonages ten prooi aan de schimmige taalreglementen. De eerste inzending ooit uit Nigeria, de Netflix-productie Lionheart van Genevieve Nnaji, werd gediskwalificeerd vanwege “overdadig” gebruik van Engels – de meest gesproken taal in de culturele lappendeken van deze voormalige Britse kolonie. Hetzelfde lot trof de Oostenrijkse inzending Joy van Sudabeh Mortezai, dat zich afspeelt in Wenen maar in een subcultuur van Nigeriaanse immigranten – die onderling te veel Engels spreken om door de beugel te kunnen. Zo sluit de taalrestrictie films uit die bij uitstek het “internationale” omarmen waar de nieuwe naam van de categorie naar verwijst.

Een fundamentele vraag, die voor elke afzonderlijke inzending een eigen antwoord zal hebben, is wat het voor een film betekent om ingezonden te worden. Dit jaar nam de Academy een recordaantal van 93 inzendingen in ontvangst, sommigen uit landen met een zeer bescheiden filmproductie, wiens films zelden over de lands- of regiogrenzen reizen en al helemaal niet naar de Amerikaanse markt. De schaarse films die dat wel doen, zijn daarmee bijna per definitie de landelijke inzending, omwille van zowel de kwaliteit als de al gegenereerde aandacht.

Honeyland

Dat de Macedonische documentaire Honeyland het schopte tot de nominatielijst van zowel deze categorie als die voor Beste Documentaire, is een direct gevolg van de première en triomf in Sundance. De exotiserende benadering van vooral de bijfiguren maakt dat een breder, westers publiek ontvankelijk is voor de charmes van de film. Voor velen van deze kijkers, zeker die in Amerika, zal het de eerste Macedonische film zijn die ze ooit zagen. Ook het Costa Ricaanse The Awakening of the Ants (El despertar de las hormigas) van Antonella Sudasassi, een gevoelige en subtiele reflectie op vrouwelijke bekrachtiging, begon zijn reis op een internationaal festival – de Berlinale. Maar wie zou er buiten Nepal ooit hebben gehoord van Binod Paudels speelfilmdebuut Bulbul als het niet de nationale inzending was geweest?

Zoals gewoonlijk werden de shortlist van tien titels, die bekend werd gemaakt in december, en de vijf uiteindelijke nominaties gedomineerd door Europa. Dat continent overheerst van oudsher in deze categorie, al wordt dit jaar een Aziatische winnaar verwacht. De “chosen few” op de shortlist, die acht van de negen inzendingen achter zich laten, tonen bepaald geen breed, internationaal spectrum aan verhaalvormen. Maar voor films die de shortlist niet halen, kan alleen al het feit dat ze zijn ingezonden de nodige aandacht genereren, zeker in het thuisland en soms ook in de bredere regio. Bovendien betekent het, in ieder geval in theorie, dat de films worden gezien door een flink aantal filmprofessionals uit alle verschillende branches van de Academy die anders nooit van hun bestaan hadden geweten, aangezien die meestemmen voor zeven van de tien plekken op de shortlist – de overige drie worden bepaald door een speciale commissie.

It Must Be Heaven

Een specifieke vorm van zichtbaarheid die de films ermee binnenslepen is daarnaast een vertoning op het filmfestival van Palm Springs, op slechts een paar uur rijden van Los Angeles. Dit jaar werden daar 52 van de inzendingen vertoond, waaronder alle tien de shortlist-titels, spraakmakende films van vooraanstaande makers die buiten de boot vielen zoals Marco Bellocchio’s Il traditore en Elia Suleimans It Must Be Heaven, films zoals Honeyland waarover het gonsde, maar ook veel minder zichtbare films, zoals de inzendingen uit Mongolië en Kosovo. Erdenebileg Ganbolds weinig subtiele melodrama Khiimori (‘het ros’), over een jongen die zich wil herenigen met zijn favoriete paard, is kwalitatief niet te vergelijken met eerdergenoemde Italiaanse of Palestijnse inzendingen. Ook Antoneta Kastrati’s Zana haalt dat niveau niet, ondanks de opmerkelijke centrale rol van Adriana Matoshi als een rouwende Albanese weduwe die haar oorlogstrauma’s achter zich probeert te laten op het Kosovaarse platteland.

“In de tijd dat er maar vijftig of zestig inzendingen voor deze Oscar-categorie waren, vertoonde het festival ze allemaal”, vertelt Alissa Simon, filmcriticus en programmeur bij het filmfestival van Palm Springs. “Toen waren we de enige plek buiten de Academy waar alle films te zien waren. Maar in de loop der jaren werden het er meer en meer, dus nu vertonen we ieder jaar een gecureerde, representatieve selectie van 45 tot 55 titels.”

Beanpole

De Fipresci-jury van internationale critici waaraan ik deelnam, koos zijn winnaars uit de 52 inzendingen die het festival selecteerde. Onze prijzen werden enkele dagen voor de bekendmaking van de nominaties uitgereikt. Bartosz Bielenia werd verkozen tot beste acteur, voor de Poolse inzending Corpus Christi (Boże ciało) van Jan Komasa; beste actrice werd Helena Zengel voor de Duitse inzending System Crasher (Systemsprenger) van Nora Fingscheidt; de prijs voor beste scenario was voor Bong Joon-ho en Jin Won-han voor Parasite (Gisaengchung), met een eervolle vermelding voor Sophie Deraspe voor Antigone; en Beanpole (Dylda) van de Russische filmmaker Kantemir Balagov werd verkozen tot beste film.

“Dat de Fipresci deze uitgebreide selectie onder de loep neemt, is een manier om deze categorie als geheel verder onder de aandacht te brengen en om films uit te lichten die critici waarderen – in plaats van wat de Academy-leden kiezen”, zegt Simon. “Het helpt de ‘kleinere’ films in de sectie absoluut om een publiek in de V.S. te vinden. Omdat er niet alleen distributeurs op het festivals rondlopen, maar ook andere festivals die hier ‘shoppen’. Veel films die hier beginnen, krijgen vervolgens uitnodigingen van meerdere andere festivals.”