Quo vadis, Aida?

Het gevoel van een naderende genocide

Na De Oost behandelt ook Quo vadis, Aida? een Nederlands trauma. Maar Jasmila Žbanić bekijkt de tragische gebeurtenissen van Srebrenica door de ogen van een Bosnische tolk.

Het leven is geen film. Dat vergeten filmmakers nogal eens wanneer ze een (historische) menselijke tragedie omtoveren in cinema. Getuige Quo vadis, Aida? waar scenarist-regisseur Jasmila Žbanić (Grbavica, 2006; Na putu, 2010) een genocide (de moord in 1995 op 8.372 Bosnische moslims) oproept via een constant aan film herinnerend drama.

Er is een hoofdpersoon die transformeert van stille getuige (“zwijg, je bent enkel tolk”) tot kinetische actieheld die dankzij haar badge ongehinderd rond rent over de VN-basis. Een Servische generaal die genadeloze uitroeiingsdrang verbergt achter een strak stoer masker, terwijl hij constant een meelopende cameraploeg regisseert. En karikaturale Nederlandse figuranten, militairen gespecialiseerd in wegkijken, passief blijven of verraad plegen. Zoals kolonel Thom “ik ben slechts een pianospeler” Karremans. “De echte film begint zo dadelijk”, zeggen Servische soldaten wanneer ze weggevoerde moslims achterlaten in een geïmproviseerde
bioscoop, geweerlopen door kijkgaten priemen en de camera wegrijdt om de gruwel naar de klankband te verwijzen. Terwijl een in magisch-realisme gedrenkte epiloog ‘personages’ en geesten uit het verleden samenbrengt in een door kinderen opgevoerd
‘zien en niet-zien’ toneeltje.

Die zelfbewuste, filmische aanpak levert nevenschade op. Samen met authenticiteit verdwijnt ook morele en emotionele complexiteit uit beeld. We kijken via de ogen van leraar en tolk Aida naar de kafkaeske bureaucratie (bevelvoerders gaan na loze dreigementen op vakantie, lijstjes zijn heilig) en de destructieve logica van haat en racisme. Hallucinant, maar Aida’s lotgenoten blijven anoniem opgejaagd vee. Ook al omdat Žbanić focust op (het gezicht van) een vrouw die verbeten vecht voor het leven van haar man en twee zonen.

Net zoals alles moet wijken voor Aida’s strijd en intensiteit (met “ik ben slechts de tolk” negeert ze elke smeekbede), verdwijnt door Žbanićs focus ook elk greintje persoonlijkheid uit de machtelozen (zwijgzaam afgevoerde mannen en vrouwen) en elke empathie voor de marionetten in het geopolitieke spel (de ook letterlijk bleke Dutchbatters). Het is verdedigbaar dat het Nederlandse trauma niet centraal staat en prima dat het als empathie vermomd zelfbeklag van De Oost ontbreekt. Alleen stoort het dat menselijkheid en nuance geweerd werden uit dit portret van stuur- en ruggengraatloze VN-militairen. Het leven is immers ingewikkelder en meer ambigu dan (deze) film.

Quo vadis, Aida? is geen intense helletocht zoals Kom en Zie (Elem Klimov, 1985) of The Painted Bird (Václav Marhoul, 2019) of heldenverhaal als Hotel Rwanda (Terry George, 2004), maar een oorlogsdrama dat ons met minimale pathos en sentiment onderdompelt in met de genocidegruwel verbonden gevoelens van angst, afschuw en tristesse. Aangevuld met het besef dat de communicatie tussen alle betrokkenen niet mank loopt omdat ze tolken nodig hebben maar omdat ze weigeren te luisteren naar elkaar. Dat gebeurt efficiënt via een rudimentaire plot maar ook al te nadrukkelijk via knipogen naar film. Kunstmatigheid verzwakt de overtuigingskracht.