Dansplaining #63
Jukebox-films als bio-slop
Michael
Dan Hassler-Forest zoekt als de Indiana Jones van de filmwetenschappen naar verborgen betekenissen en geheime kamers van de filmgeschiedenis.
We openen op een uitverkochte arena. Het publiek houdt het bijna niet meer. Vol opgekropte spanning wachten duizenden mensen tot hun idool het podium eindelijk betreedt. Angstvallig kijkt het personeel vanuit de coulissen naar achteren: waar blijft hij toch? De camera beweegt door een donkere gang, waar de popster in gedachten verzonken tegen een muur geleund staat. Terwijl het publiek zijn naam ongeduldig scandeert, laat hij het hoofd zakken. Voordat hij opkomt, moet de artiest eerst nog even nadenken over het levenspad dat hem hier heeft gebracht. Een langzame fade-out brengt ons terug naar zijn eenvoudige jeugd, waar zijn verhaal kan beginnen…
Wie zijn klassiekers kent, herkent in deze alinea de openingsscène van Walk Hard: The Dewey Cox Story (2007). Deze moderne comedy-klassieker fileerde de muzikale biopic zo venijnig dat je je nauwelijks kunt voorstellen dat iemand dit subgenre daarna nog serieus kon nemen. Maar twintig jaar later blijkt het niet alleen springlevend, maar zelfs een van de weinige formules waar Hollywood zich nog aan wil wagen.
Deze maand is het Michael dat de kassa’s wereldwijd doet rinkelen. Maar producenten verdringen zich al langer om biografische films op te zetten rondom de meest herkenbare popsterren. Zo zagen we in de afgelopen paar jaar grote films rondom Queen, Elton John, Amy Winehouse, Elvis Presley, Whitney Houston, Robbie Williams, Bob Dylan, Aretha Franklin, Bruce Springsteen en zelfs Weird Al Yankovic.
Ze hebben de vorm van biografische films, die het levensverhaal van deze talenten vertellen. Maar ze doen het goed aan de kassa omdat ze vooral functioneren als jukebox-films: een soort greatest hits-compilatie met korte scènes tussen de liedjes door die de meest gemakzuchtige clichés over artistieke genieën herkauwen en als lauwwarme pap over ons uitbraken.
De ongemakkelijke scherpe randjes die het leven van een beroemdheid typeren, worden hierbij systematisch weggeslepen, zodat de homoseksualiteit van Freddie Mercury nauwelijks een voetnoot wordt in Bohemian Rhapsody, en de opeenstapeling van even bizarre als verontrustende schandalen uit de latere jaren van Michael Jacksons carrière onder het tapijt worden geschoven met de dubbelzinnige slotzin “His story continues…”.
Omdat jukebox-films het werk van de popsterren in kwestie bovenal willen “vieren”, ligt het voor de hand dat ongemakkelijke details worden weggepoetst. Zij worden immers opgezet en gefinancierd door partijen die financieel profiteren van de muziek waar het om draait. Daarnaast bestaat het publiek voor een belangrijk deel uit fans, die doorgaans niet zitten te wachten op een kritisch portret van hun idool.
De jukebox-film is dan ook vooral een promotioneel verlengstuk van bedrijven als Spotify en de platenmaatschappijen die het moeten hebben van de grootste namen die de streaminglijsten domineren. Geen biopic, maar bio-slop.