Framed Festival 2026
Niets doet surrealisme zoals animatie
Bubble Bath
Wie het complete, fantastische programma met surrealistische hoogtepunten bezoekt bij het Framed Festival in Groningen, is meteen flink bijgespijkerd met klassiekers uit de animatiegeschiedenis. Met als Geheimtip: György Kovásznai’s swingende Bubble Bath uit 1979.
In 1946, direct na de Tweede Wereldoorlog, publiceerde Marten Toonder zijn Cursus Tekenfilm, de eerste Nederlandse instructiegids voor animatie, om daarmee een levensvatbare Nederlandse animatie-industrie op poten te zetten.
Hij zette in zijn tekst animatie af tegen andere – mindere – kunstvormen, met speciale aandacht voor de beperkingen van de ‘fotografische kunst’, die altijd tekort zou schieten omdat, aldus Toonder, de essentie van kunst nu eenmaal illusie is.
Ook Disney leunde, ondanks zijn onmiskenbaar technisch meesterschap, te veel op de werkelijkheid: “Zijn consessies aan de realiteit verminken zijn producten en voeren hem steeds verder af van het terrein der film.”
De surrealistische schilderkunst interesseerde Toonder, maar: “De schilderkunst is statisch en het onderbewustzijn in de eerste plaats dynamisch, zodoende kunnen ze nooit nader tot elkaar komen en is het surrealisme gedoemd om te mislukken. Een surrealistisch schilderij is literair omdat zij een verklaring behoeft en is dus, artistiek gesproken, onmachtig. Een tekenfilm echter behoeft geen verklaring omdat haar actie zichzelf verklaart, zij is de surrealistische kunst der toekomst.”

Met het gesamtkunstwerk cinema als hoogste aller kunstvormen, animatie als ideale vorm van cinema en surrealisme als wezenskenmerk van animatie, kun je zeggen dat het programma Beyond the Naked Eye: Surrealisme in animatie op het Framed Festival in het Groninger Forum de ultieme kunstvorm viert (met ‘beyond the naked eye’ als aardig equivalent van Toonders afkeer van fotografische producties).
Nu kun je natuurlijk ook slechte surrealistische animatiefilms maken. Maar die zitten hier gelukkig niet tussen. Zeven van de tien (en dan reken ik Death Does Not Exist van Félix Dufour-Laperrière ook mee, ook al draait die officieel buiten het surrealismeprogramma) zijn zelfs bona fide meesterwerken.
Er is bovendien ook nog een aanbevelenswaardig kortfilmprogramma met naast Suzan Pitts sexy Asparagus (1979) en het intrigerend onbevattelijke Street of Crocodiles (1986) van de Quay Brothers ook Gerrit van Dijks CubeMENcube (1975) en het wonderbaarlijke Destino (1946/2003), een eenmalige samenwerking tussen Disney en Dalí – de kijker kan hier dus zelf beoordelen of Disney tóch met waarachtig surrealisme uit de voeten kon.

En die zeven? Death Does Not Exist dus, en dan: het “gruwelijke mooie” Angel’s Egg (1985) van Mamoru Oshii (bekend van Ghost in the Shell, 1995), dat dit jaar voor het eerst in de Nederlandse bioscopen is uitgebracht; Jan Švankmajers Alice (1988), de beste Alice in Wonderland-verfilming ooit; Don Hertzfeldts stokfiguurtjes-drama It’s Such a Beautiful Day (2012), dramatisch grappig en verdrietig en troostend; het hallucinante Paprika (2006) van de veel te jong overleden animeester Satoshi Kon (dat hek!); en ijs en weder dienende draait op het dak van Forum Miyazaki’s Spirited Away (2001), de een-na-beste lange animatie aller tijden. (En eigenlijk mag je Masaaki Yuasa’s anime-serie Kaiba (2008) ook niet missen – niet zijn beste, nog steeds heel goed.)
Maar ik wil een andere titel eruit pikken – degene die, denk ik, het minst bekend is. Bubble Bath (Habfürdő, 1979) is de enige lange animatie van de Hongaarse filmmaker-schilder György Kovásznai en anders dan elke andere animatiefilm die ik ken.
Hij past zeker in het surrealismeprogramma, maar gaat desondanks ook over het dagelijks leven in de Hongaarse stedelijke middenklasse. Je kan zeggen dat de film het surrealisme van de werkelijkheid verbeeldt, met bizarre transformaties en absurd droge humor – en een lekker swingende soundtrack met musical-achtige discorock. Oneindig gevarieerd, soms houterig, soms vloeiend, een potpourri van stijlen die voor een deel stevig in z’n tijd is geworteld, van psychedelica via tijdschriftillustraties tot beroemde schilderstijlen (kubistisch, fauvistisch, popart, abstract).

De drie hoofdpersonen (studerend verpleegkundige Anikó, gekrenkte verloofde Klára en hypochondrische etalage-ontwerper Zsolt) van deze romkom à trois worden in telkens andere stijlen getekend – dus geen dwingende character sheets, maar alleen enkele herkenbare trekken. De stemmen klinken realistisch, als flarden van een rommelige, voorbijglijdende wereld, met een paar fascinerende documentairescènes (onder meer over het kennelijk toenmalige ‘ideaal’ van het hebben van drie kinderen). Psychologie en emoties worden uitgedrukt met felle kleuren, vreemde vervormingen, bewerkte foto’s en collages, lichtvlekken die eroverheen dansen, krasserige, hoekige, groteske figuren en bewegingen, zichtbaar getekend en geschilderd – de film blijft afwisselen, blijft verrassen.
Bovendien is het prettig kleinschalig, wat je niet vaak ziet bij lange animatie. Het is psychologisch met zelfspot, babbelend afdwalend in absurdistische non-sequiturs – het voelt als kleinschalig alternatief theater, drijvend op persoonlijkheden en stijl in plaats van plot en ontwikkeling, maar dan met de kracht van een tekenfilm.
Het schijnt dat Kovásznai zijn film maakte als verzet tegen Disney: waar Disney fantastische verhalen zo realistisch mogelijk in beeld bracht, wilde Kovásznai de werkelijkheid zo surrealistisch mogelijk laten zien – hij noemde dit “anima vérité”.
Ik denk dat Toonder, mocht hij Bubble Bath ooit gezien hebben, tevreden zal zijn geweest.
Framed Festival | 7 t/m 10 mei 2026 | Forum, Groningen
Met op vrijdag 8 mei om 16.00 uur een lezing over surrealisme in animatie door cultuurhistoricus en filmdocent Constant Hoogenbosch.