Divine Comedy
Het vagevuur van een onvertoonde film
Divine Comedy
In de even venijnige als cinefiele Iraanse satire Divine Comedy steekt Ali Asgari vrolijk de draak met de bureaucratische repressie van zijn thuisland én met de goegemeente die dat allemaal wel best vindt.
Analoog aan de filosofische kwestie of een vallende boom wel geluid maakt als niemand het hoort, kun je je afvragen of een film wel een film is als niemand ernaar kijkt. Voor de Iraanse filmmaker Bahram, de centrale figuur in Ali Asgari’s satirische Divine Comedy (Komedie Elahi), is dat geen theoretische kwestie, want geen van zijn films kreeg van de Iraane autoriteiten ooit toestemming voor vertoning.
Als ook zijn nieuwste werk weer wordt verboden (het absurde gesprek bij de censuur doet sterk denken aan dat uit Asgari’s eerdere film Terrestrial Verses, 2023) besluit hij het heft in eigen handen te nemen. Achter op de scooter bij zijn producent Sadaf toert hij een dag door Teheran op zoek naar een plek waar ze hun film zelf kunnen vertonen.
De toon is daarbij verraderlijk luchtig, ook al door het springerige jazz-riedeltje dat klinkt telkens als Bahram en Sadaf weer op de scooter stappen. Mede dankzij die scooter doet het denken aan Nanni Moretti’s Caro diario (1993) en meer in de verte ook aan Close-Up (1990) van Abbas Kiarostami. Het wat sullige voorkomen van hoofdrolspeler Bahram Ark brengt ook de vroege Woody Allen in herinnering. Qua metafilmische spielerei doet Divine Comedy niet onder voor die voorbeelden, maar in de repressieve maatschappelijke context van Iran is het resultaat een stuk bijtender.
Asgari’s film heet Divine Comedy omdat de film waarmee Bahram en Sadaf rondleuren door Bahram wordt omschreven als een losse bewerking van Dante’s klassieke dichtwerk. Maar het slaat natuurlijk ook op de rondgang die het duo zelf maakt. Dante’s Divina commedia begint met de dood van een mens en reist vervolgens door vagevuur, hel en hemel; Asgari’s Divine Comedy begint met de dood van een film en beziet de verdoemenis die daarop volgt.
Het idee voor Divine Comedy ontstond toen de vertoning van Terrestrial Verses verboden werd en Asgari er zelf de boer mee op ging. Met een laptop en beamer onder zijn arm trok hij langs cafés en huizen van vrienden voor vertoningen aan kleine groepjes mensen. Het scenario voor Divine Comedy schreef hij samen met drie andere filmmakers, die er alle drie hun eigen ervaringen in legden: Alireza Khatami (ook coscenarist van Terrestrial Verses) en de tweelingbroers Bahram en Bahman Ark.
Bahram Ark speelt ook de hoofdrol, als een gefictionaliseerde versie van zichzelf, een maker van lastige arthousefilms die alleen al door de taal waarin ze worden gesproken – het Azeri van de Azerbeidzjaanse minderheid in Iran – onvertoonbaar zijn. Broer Bahman duikt in een bijrol op als de nóg fictionelere broer van de hoofdpersoon, die in tegenstelling tot onze held zijn principes opzijschoof en nu zeer comfortabel leeft als maker van door de autoriteiten goedgekeurde commerciële drek.
Voortkabbelen
Bahrams rondgang langs potentiële vertoningsplekken en geldschieters maakt op komische wijze gehakt van de bureaucratie en censuur, die tot op het belachelijke af ingrijpen in het Iraanse dagelijks leven. Maar net zo goed hekelt de film al die mensen die zich daarbij neerleggen, zolang hun gemoedelijke leventje maar voort kan kabbelen. Vooral daarin is hier ook voor Nederlandse kijkers genoeg te herkennen.
Niemand wordt gespaard. Niet de autoriteiten die zoveel bureaucratische regeltjes hebben opgetuigd dat die zichzelf tegenspreken. Maar ook niet de lokale filmster die drukker is met zijn drugstoevoer dan de principes waarover hij zo hoog opgeeft, of de bioscoopeigenaar die liever de zoveelste klassieker de zaal in knalt.
Ook Bahram zelf ontspringt de (zelf)spotdans niet, met zijn principes als masker voor lafheid en zijn ongefundeerde arrogantie (over de komedies van zijn broer zegt hij: “Eén shot van mij is meer waard dan een hele film van hem.”).
Eigenlijk is de enige die er ongeschonden vanaf komt de doortastende en nuchtere producent Sadaf, haar blauw geverfde haren vrijuit wapperend onder haar scooterhelm. Die rol wordt overigens vertolkt door Sadaf Asgari, een nicht van de regisseur die ook in zijn eerdere films Disappearance (2017) en Until Tomorrow (2022) al sterke hoofdrollen speelde.
De humor die ook in Terrestrial Verses door het drama heen schemerde, krijgt in Divine Comedy nog meer nadruk. Dat is een verfrissende keuze voor het soort maatschappijkritiek dat door Iraanse filmmakers meestal in serieus drama wordt gegoten. Want als je je afvraagt of een film die door geen hond wordt gezien nog wel een film is, dan staat het ook te bezien of repressie nog wel repressie is als erom wordt gelachen.