Alex van Warmerdam over Nr. 10

'Ik herken situaties zelf niet als typisch Van Warmerdam'

Alex van Warmerdam. Foto: Merlijn Doomernik

Over de tiende film van Alex van Warmerdam, met de toepasselijke titel Nr. 10, kunnen we beter zo min mogelijk prijsgeven. Maar een ‘typische Van Warmerdam’ is het zeker. En tegelijkertijd ook weer niet. “Ik heb blijkbaar een signatuur waar ik niet onderuit kom.”

Het duiden van het werk van Alex van Warmerdam (Abel, 1986; Borgman, 2013) is vaak zinloos. Je moet zijn films ondergaan – thema’s naar eigen believen invullen, zelf uitvinden wat de bedoeling is. Andermans duiding staat die beleving in de weg – zelfs als dat de duiding van de regisseur zelf is.

Toch blijft het moeilijk die neiging tot interpreteren te weerstaan. Neem bijvoorbeeld de titel van Van Warmerdams tiende speelfilm. Staat Nr. 10 voor iets groters? Nee hoor, zegt de regisseur zelf, het is “gewoon de werktitel”, die hij tijdens het productieproces simpelweg niet uit zijn hoofd kreeg.

Nr. 10 wordt verkocht als ‘een thriller met elementen van een zwarte komedie’. Zo kun je veel films van Van Warmerdam classificeren. Maar goed, een zwart-komische thriller dus, die draait om toneelacteur Günter (Tom Dewispelaere). Deze Günter werd op vierjarige leeftijd gevonden in een Duits bos, maar leidt veertig jaar later een tamelijk normaal bestaan. Nadat een willekeurige voorbijganger hem op een brug iets influistert, komt Günter stukje bij beetje meer te weten over zijn afkomst.

Meer zullen we niet prijsgeven, want Van Warmerdam verzoekt nadrukkelijk om niet inhoudelijk op de film in te gaan. Dat zou het onbevangen kijkplezier verpesten. Gelukkig valt er daaromheen meer dan genoeg te bespreken. Zoals de turbulente totstandkoming van de film. Met een budget van 4,2 miljoen euro is Nr. 10 Van Warmerdams duurste film tot nu toe. De regisseur had de film eigenlijk veel eerder willen draaien – zijn vorige film Schneider vs. Bax verscheen alweer zes jaar geleden – maar de productie verliep moeizaam. Van Warmerdam vond perfecte opnamelocaties in Duitsland, maar kreeg daar geen subsidie. Later viel een grote investeerder weg – iets met een ingewikkeld puntensysteem en een beoordelaar die “het script heel goed vond”, maar er “geen film in zag”. Tot overmaat van ramp raakte de uitvoerend producent daarna overspannen.

Was Nr. 10 productioneel je moeilijkste film tot nu toe? “Het was vooral de zwaarste film om te maken, omdat ik gewoon te weinig tijd had. Door de financiële problemen moest ik het met minder draaidagen doen. Onze nieuwe uitvoerend producent Bernard Tulp heeft de boel uiteindelijk heel knap weten te redden. Toen ik begon met draaien, moest een deel van de acteurs bovendien nog gecast worden, en stonden alle decors op losse schroeven. Dat heb ik niet eerder meegemaakt, en in zo’n situatie is het onmogelijk om ‘ontspannen’ een film te maken. Bij Schneider vs. Bax kon ik nog weleens de tijd nemen om heel diep na te denken tussen de opnames door. Dat kon bij Nr. 10 absoluut niet.”

Hoe nestelt het idee voor zo’n film zich in je hoofd? “Het begint vaak met een heel simpele ingeving. In dit geval met het idee dat een dochter haar vader voortdurend volgt met een camera, omdat ze op zijn verjaardag een leuke film wil laten zien. Zo’n filmpje waarin je ziet hoe hij struikelt, iets jat in de supermarkt, of een bekeuring krijgt. Maar in dat volgen is er telkens één punt waarop ze haar vader ineens kwijt is. Alsof hij door een wand stapt en verdwijnt. Dat was het begin. Hoe dat idee zich verder ontwikkelde, kan ik niet vertellen, want dan geef ik eigenlijk al te veel weg.”

Tijdens zo’n productie word je vast overladen met meningen. Neem je daar veel van over? “Editor Job ter Burg en ik houden tijdens de montage meerdere viewings voor een select gezelschap. Daarbij zeggen mensen vaak dingen waarvan je denkt: verdomme, waarom heb ik dat zelf niet gezien? Als iemand zegt: ‘Ik zie er geen film in’, dan heb je daar niets aan, maar bij zo’n screening kun je door de ogen anderen naar je film kijken. Als het danst, danst het, en als het dansen stokt, voel je dat in hun stilte. Uiteindelijk hebben we daarom het hele middendeel van de film geschrapt, dat in totaal zo’n twintig tot dertig minuten besloeg. We hebben zelfs nog extra shots gedraaid, maar het werkte gewoon niet. Dat soort dingen kun je niet altijd voorzien als je een script schrijft.”

Je bent met decors en locaties behoorlijk ambitieus te werk te gaan. “Vooral de vormgeving is heel anders dan in mijn eerdere films. Ik heb daar maanden aan gewerkt, maar door logistieke problemen moest het uiteindelijk helemaal opnieuw. Ik heb dozen vol ontwerpen en collages waar ik uiteindelijk niets mee kon. Het blijft met films binnen een bepaald genre altijd lastig, omdat je je altijd verhoudt tot heel veel andere films. Daar kom ik aan, met mijn kleine budgetje. Bij een cowboyfilm maakt dat niet uit: daar heb je genoeg aan een hoed, twee paarden en een revolver, maar dat is niet voor elk genre zo. Ook in dat opzicht was deze film zwaarder dan gebruikelijk.”

Je speelt in deze film inderdaad weer met een specifiek genre, zoals je dat bij Borgman en Schneider vs. Bax in zekere zin ook deed. “Bij Borgman werd vaak gerefereerd aan een home invasion thriller, maar van dat genre had ik nog nooit gehoord. Ik probeer met mijn films vooral de kamers in mijn geest te betreden waar ik niet eerder ben geweest.”

Je zei in eerdere interviews al dat hoewel je telkens probeert om écht iets anders te maken, ontsnappen aan jezelf niet lukt. “Dat heb ik ook vaak tijdens het schilderen. Dan denk ik: wat ben ik eigenlijk aan het doen? Zo wil ik helemaal niet schilderen! Tijdens het monteren van een film is dat niet anders. In de montage komt er altijd een moment waarop de film zélf de macht grijpt. Alsof die zegt: ‘Jij kunt wel die film willen maken die je in je hoofd hebt, maar ik zeg nu dat je dit er beter kunt uitgooien.’ Daardoor krijg je uiteindelijk altijd een andere film dan wat het in de kiem ooit beloofde te worden. Ik probeer mezelf vaak voor te doen als iemand anders, om compleet andere dingen te kunnen schrijven of bedenken. Maar je kunt jezelf uiteindelijk nooit verloochenen, want zelfs dat verloochenen gebeurt binnen je eigen wezen.”

Herken je zelf eigenlijk dat stempel in je films? “Onze Vlaamse coproducent Koen Mortier, zelf ook regisseur, zei onlangs dat ik altijd ‘vierkante’ films maak. Ik begreep wel wat hij bedoelde. In mijn films maak ik meestal weinig toeren met de camera, ik gebruik eenvoudige shots en nooit close-ups. Dat laatste heb ik weleens geprobeerd, maar dan blijk ik wel degelijk een dogma te hebben dat mij stevig in zijn greep heeft: ik kan een echte close-up gewoon níet verdragen.”

Recensenten zullen ongetwijfeld weer schrijven dat Nr. 10 een ‘typische Van Warmerdam’ is. “Ik heb zelf altijd het gevoel dat ik elke keer totaal iets anders maak, maar ze komen steeds weer met zinnen als ‘vintage Van Warmerdam’. Ik heb blijkbaar een signatuur waar ik niet onderuit kom. Ik kom geregeld mensen tegen die me vertellen dat ze op straat in een ‘typische Van Warmerdam-scène terechtkwamen’. Ik begrijp dan meestal helemaal niet wat ze bedoelen. Ik herken situaties zelf niet als ‘typisch Van Warmerdam’. Ik probeer voortdurend een nieuwe invalshoek te vinden, maar zelfs bij mijn toneelstukken en dichtbundels zeggen ze altijd dat het ‘typisch Van Warmerdam’ is. Ik heb ooit een keer voorgesteld om een dichtbundel uit te brengen onder een pseudoniem, maar toen zeiden ze: ‘Waar slaat dat op? Ben je helemaal gek geworden?’.”

De kans is dus groter dat we nog flink wat ‘vintage Van Warmerdam’ krijgen? “Ik heb nog steeds een sterke drang om films te maken. Op de set denk ik vaak alweer aan de volgende film.”

Daar heeft de moeilijke productie van Nr. 10 niets aan veranderd? “Welnee, al die ellende vergeet je razendsnel weer. Ik ben nooit oververmoeid geraakt, heb altijd energie gehouden en nu is er toch maar mooi weer een film. Tot nu toe heb ik elke film kunnen maken die ik voor ogen had, en heb ik nog nooit een project hoeven laten vallen. Toch een fijn idee.”