Cannes 2015
Het groeiende belang van coproducties
The Lobster
Geen Nederlandse films in Cannes dit jaar, maar wel twee buitenlandse films die deels gefinancierd met Nederlands geld prijzen wonnen. Het aantal coproducties neemt explosief toe, maar wat levert dat de Nederlandse filmsector precies op?
Door Jos van der Burg
Schneider vs. Bax van Alex van Warmerdam gaat niet naar Cannes. Dat was het nieuws in de aanloop naar Cannes dit jaar. Was de sfeer twee jaar geleden er één van enthousiasme en opwinding, omdat met Borgman na 33 jaar eindelijk weer eens een Nederlandse film in de competitie meestreed, dit jaar was de sfeer als vanouds bedrukt. Samengevat: we tellen internationaal niet mee en zijn alleen goed in het maken van films die geen buitenlander wil zien.
"Laat er geen misverstand over bestaan", zegt Filmfondsdirecteur Doreen Boonekamp: "Het is fantastisch als een Nederlandse film Cannes haalt, maar wat iedereen blijkbaar over het hoofd ziet is dat twee Nederlandse coproducties in Cannes prijzen hebben gewonnen." Ze doelt op The Lobster van de Griekse regisseur Yorgos Lanthimos en La tierra y la sombra van de Colombiaanse regisseur César Augusto Acevedo. Fijn voor de Griek en de Colombiaan, maar wat heeft de Nederlandse filmwereld eraan dat buitenlandse regisseurs met Nederlands geld mooie films kunnen maken? Geeft het Filmfonds geld aan iedere buitenlander die een film wil maken? Boonekamp kent het gemopper. Ze wijt het aan onwetendheid over de veranderingen in de internationale filmwereld. "Er heeft de laatste jaren een enorme omslag plaatsgevonden. Niemand leeft meer op een eiland. Door de globalisering komen er steeds meer coproducties. Een jaar of vijf geleden was twintig procent van de films die het Filmfonds steunde een coproductie, nu zeventig procent. Nog maar dertig procent van de films richt zich uitsluitend op de Nederlandse markt." Ook Marten Rabarts, hoofd van EYE International dat Nederlandse films in het buitenland promoot, wijst op de veranderingen. "De filmwereld is een global industry geworden. Veel producenten opereren wereldwijd. Het publiek merkt het niet, maar films die maar door één land worden geproduceerd zijn steeds zeldzamer."
Wederkerigheid
Global industry klinkt mooi, maar wat levert het de Nederlandse filmindustrie op wanneer producenten hier geld komen halen voor hun films? Frans van Gestel van Topkapi Films, de coproducent van La tierra y la sombra, irriteert zich mateloos aan de Hollandse wat-kost-het-vraag. "Producenten komen hier niet even snel een zak geld ophalen. Het geld verdwijnt niet, want er zit een bestedingsverplichting op. Dat betekent dat het hier in Nederland moet worden uitgegeven. Bovendien is er sprake van wederkerigheid. Wij waren coproducent van Felix van Groeningens The Broken Circle Breakdown, en Menuet Producties (de Belgische producent van die film) was weer coproducent van onze film De wederopstanding van een klootzak. En Menuet zal ook coproducent zijn van Mijke de Jongs nieuwe film."
Volgens Van Gestel leiden al die coproducties niet alleen tot uitwisseling van geld, maar ook van ideeën. "Als producent van artfilms breng ik twintig jaar ervaring mee naar een project. Ik was serieus betrokken bij The Broken Circle Breakdown: ik las het script mee en was betrokken bij de montage." Van Gestel wijst ook op individuele voordelen. "Coproducties zorgen voor werk. Dat is economisch van belang, maar stimuleert ook de creatieve ontwikkeling van vakmensen als editors, cameramannen, acteurs en componisten. Zij krijgen meer kans om met toptalenten te werken. Wat denk je wat het betekent voor Fons Merkies dat hij de muziek schrijft voor Thomas Vinterbergs nieuwe film Kollektivet, die wij coproduceren?"
Blindstaren
Ook Doreen Boonekamp ziet die voordelen. "Coproducties leveren meer mogelijkheden op om films gefinancierd te krijgen, ze leiden tot creatieve en technische uitwisseling en halen makkelijker dan nationale producties de bioscopen in het buitenland." Rabarts vat de essentie samen: "Zij investeren in ons, wij in hen. Vooral de Belgen, de Denen en wij zijn er goed in. We promoten nu soms dezelfde films op festivals. Ik durf te beweren dat we zonder coproducties geen films kunnen blijven maken."
Resteert de vraag waarom we in Cannes wel buitenlandse regisseurs aantreffen in films met Nederlandse coproducenten, maar geen Nederlandse regisseurs in films met buitenlandse coproducenten. Ontbreekt het in Nederland aan talentvolle regisseurs? Boonekamp vindt dat ons niet moeten blindstaren op Cannes. "Op het filmfestival in Berlijn en Toronto waren Nederlandse regisseurs dit jaar goed vertegenwoordigd." Ze heeft een punt, want in Berlijn draaiden in diverse programma’s Prins (Sam de Jong), Nena (Saskia Diesing), Zurich (Sascha Polak) en Dansvloer vol confetti (Tallulah Schwab. In Toronto draaiden Atlantic. (Jan-Willem van Ewijk), Infiltrant (Shariff Korver), Oorlogsgeheimen (Dennis Bots) en Brozer (Mijke de Jong). Rabarts vergelijkt de selectie voor festivals met de getijdenstroom. "Soms is het eb, soms vloed." Hopelijk maken we dat ooit mee: een Nederlandse vloed in Cannes. Een ding is zeker: daar kunnen coproducties bij helpen. Want de ervaring leert dat samenwerking met andere landen de selectie van een film op de grote filmfestivals nog wel eens wil versoepelen.