Aids in de cinema
Eindelijk verbeeldt Nederland de eigen aidscrisis
Downtown. Still: Mark de Blok
De aidscrisis van de jaren tachtig en negentig is zo goed als afwezig in de Nederlandse cultuur. Met Downtown en Youri verschijnen nu de eerste grote Nederlandse speelfilms over deze periode.
In het najaar van 2014 was Angels in America van Toneelgroep Amsterdam (tegenwoordig Internationaal Theater Amsterdam), geregisseerd door Ivo van Hove, te zien in het prestigieuze BAM-theater in Brooklyn, New York.
Een waagstuk. Een Nederlands gezelschap schotelde – in het Nederlands – de New Yorkse culturele elite hún stuk voor. Want Angels in America, over de aidscrisis tijdens de onverschillige Reagan-jaren, is sinds zijn première in 1991 uitgegroeid tot een van de grote werken over het Amerika van de late twintigste eeuw. Toneelschrijver Tony Kushner schreef aan de hand van ontmoetingen tussen – al dan niet queer – joodse, zwarte en mormoonse personages een gelaagd epos over klasse, kleur en seksualiteit. Niet voor niets luidt de ondertitel van het stuk: ‘een gayfantasie over nationale thema’s’. Over Amerikaanse nationale thema’s, welteverstaan.
Alsof een stel Amerikanen hier Soldaat van Oranje op de planken brengt. En dat nog geslaagd doet ook. Want de Hollandse Angels in America werd in New York lovend ontvangen. Zoals het stuk eerder ook in Nederland al een daverend succes was (de versie van ITA ging in augustus 2026 nog in reprise).
In zijn handzame geschiedenisboek van de aidsepidemie in Nederland, Live to Tell (2025), citeert journalist Robbert Blokland Paul Ewijk, die in 1986 regieassistent was van Een nieuwe dood, het eerste (en vergeten) Nederlandse theaterstuk over aids, geschreven door Jos Brink. Terugkijkend op de vraag waarom dit stuk slechts één seizoen te zien is geweest, verwijst Ewijk naar het succes van Angels in America (in 1995 al voor het eerst in Nederland opgevoerd door het RO Theater). “Dat is natuurlijk hét stuk dat voor veel mensen – ook in Nederland – symbool is gaan staan voor die periode.”
Wat zegt het dat het bekendste Nederlandse theaterstuk over de aidscrisis het verhaal van New York vertelt?

Gapend gat
De aidscrisis van de jaren tachtig en negentig is in de Nederlandse cultuur een gapend gat. Het theater heeft Angels in America geadopteerd. In de literatuur mag Frans Kellendonks Mystiek lichaam (1986) zich met recht de Grote Nederlandse Aidsroman noemen – omdat het boek zowel aids als de Nederlandse samenleving op fenomenale wijze thematiseert, maar ook omdat het verder weinig concurrentie voor die titel te duchten heeft.
En film? Met het verschijnen van Downtown van Michiel van Erp en Youri van Sander Burger zijn dit najaar plots twee speelfilms te zien die zich afspelen tegen de achtergrond van de aidscrisis in het Amsterdam van de jaren tachtig. Waarmee het aantal grote Nederlandse speelfilms dat aids thematiseert uitkomt op… nu ja, op twee.
In Live to Tell geeft Blokland een overzicht van de representatie van hiv en aids in Nederlands drama. Het is schrapen. Een verhaallijntje in Medisch Centrum West in de jaren negentig. Goede tijden, slechte tijden begin deze eeuw. De eerste Nederlandstalige speelfilm over aids was het onafhankelijk geproduceerde Lisa uit 1996 van de Vlaamse regisseur Jan Keymeulen, met een hoofdrol voor Antonie Kamerling. Omdat de soaps nog niet toe waren aan homoseksuele personages, en Keymeulen wilde laten zien dat aids geen ‘homoziekte’ was, waren de hiv- en aidspatiënten in dit handjevol producties allemaal vrouwen.
De enige Nederlandse (en met zestig minuten nipte) speelfilm over aids is Raymi Sambo’s Aan niets overleden (2018), een bewerking van zijn gelijknamige theatervoorstelling over schaamtecultuur binnen de Antilliaanse gemeenschap. Een verhaal over een moeder die haar zieke zoon verborgen houdt voor de buitenwereld. Net als Lisa veel te klein om een indruk op het collectief cultureel bewustzijn achter te laten.

Giftige positiviteit
Nederland is nauwelijks begonnen aan de verbeelding van de aidscrisis. En daarmee ook nauwelijks aan de verwerking. Er zit iets paradoxaals in die constatering. Want de algemene opvatting onder queers lijkt toch vooral te zijn dat lgbtqia+ verhalen grosso modo in twee smaken komen: verhalen over moeilijke coming-outs en verhalen over aids. En die aidsverhalen, die kennen we nu wel.
Ongetwijfeld komt die weerzin voort uit het verlangen naar positieve representatie, als tegenwicht voor al die decennia dat queer personages als niet serieus te nemen mensen zijn opgevoerd. Maar representatie – misschien ook omdat het zo’n helder, makkelijk te hanteren beoordelingscriterium is – wil het culturele gesprek nogal eens domineren en is al te vaak de énige meetlat waarlangs queer drama wordt gelegd. Met als resultaat een vorm van giftige positiviteit (queer joy!) die eist dat homo’s op het scherm niet ongelukkig zijn. Niet ziek worden. Niet doodgaan.
Tegelijkertijd is er een grote fixatie op all things American, een Nederlandse traditie waar de lgbtqia+ gemeenschap enthousiast aan meedoet. Iedereen kent de bijkans mythisch geworden Stonewall-rellen, die in 1969 plaatsvonden in New York, als de genesis van queer activisme. Alsof daarmee ook ónze emancipatiestrijd losbarstte. Dat voor de Nederlandse lgbtqia+ beweging de enkele maanden eerder gehouden demonstratie in Den Haag tegen artikel 248bis (dat voor seksuele relaties tussen mensen van gelijk geslacht een hogere meerderjarigheidsleeftijd opwierp dan voor heteroseks) een veel relevantere gebeurtenis is, weten aanzienlijk minder mensen.
Zoals we voor activistische inspiratie naar Amerika kijken, zo hebben we ook onze verbeelding van de aidscrisis aan de Angelsaksische wereld uitbesteed. Alsof die hele epidemie hier nauwelijks heeft plaatsgevonden. Weliswaar was de aidscrisis door een compleet andere politieke en sociale context gelukkig een stuk kleiner dan in de Verenigde Staten, maar nog altijd overleden er in de vorige eeuw in Nederland ruim drieduizend mensen aan de gevolgen van aids. Omdat het virus voornamelijk binnen één specifieke gemeenschap huishield, is dat een gebeurtenis van desastreuze proporties. Daar zou toch iets over te vertellen moeten zijn.
De lacune die Nederlandse aidsepidemie heet, wordt nu eindelijk ingevuld. Youri, gebaseerd op de biografische roman In het huis van de dichter (2008) van Jan Brokken, vertelt het verhaal van de Russische concertpianist Youri Egorov, wiens levensverhaal gelijkenissen vertoont met dat van de wereldberoemde balletdanser Roedolf Noerejev. In 1976 ontvluchtte Egorov de Sovjet-Unie vanwege zijn homoseksualiteit en vestigde zich uiteindelijk in Amsterdam. Youri wekt niet alleen de klassieke muziekwereld uit die tijd tot leven, maar zijdelings ook de levendige Amsterdamse homoscene, waar gefeest wordt en eerste berichten over een mysterieus virus als conservatief gezwets worden afgedaan. Egorov raakt besmet en zijn hemelbestormende carrière wordt vroegtijdig gesmoord: in 1988 pleegt hij euthanasie om verdere aftakeling te voorkomen.
In Youri is aids in zekere zin nog een zijplot, eentje die weliswaar het hoofdverhaal van een briljant musicus ruw beëindigt, maar toch: een zijplot. Downtown van Michiel van Erp is de eerste grote Nederlandse film die de aidscrisis ronduit thematiseert. Vanuit een queer perspectief. Drie vrienden blikken tijdens de coronapandemie terug op die vorige pandemie die hun levens overhoop heeft gegooid en waar ze nooit meer met elkaar over gepraat hebben. Van Erp en mede-scenarist Frank Houtappels maken het zwijgen over deze periode expliciet tot thema van de film. Van Erp zei hierover: “Deze vaak vergeten geschiedenis verdient het om verteld te worden. Niet alleen voor degenen die het meemaakten, maar ook voor een jonge generatie. Het is belangrijk om je geschiedenis te kennen. Al was het maar om pijn te delen en samen naar de toekomst te kijken.”
Geen tweede generatie
Van Erp legt de vinger op de zere plek. De verhalen van een traumatische geschiedenis worden vaak verteld door de tweede generatie overlevers. De eerste generatie vergeet liever. Maar in het geval van de lgbtqia+ gemeenschap is er geen vanzelfsprekende tweede generatie. Natuurlijk zijn er jonge queer mensen. Maar zij staan niet noodzakelijk in contact met mensen die door de aidscrisis geraakt zijn. Ik ben in 1993 geboren, op het moment dat aids op zijn hevigst om zich heen greep. Toch kwam ik pas met deze periode in aanraking toen ik er actief naar op zoek ging. Waarmee ik maar wil zeggen: de kans op vergeten is hier nog eens vele malen groter dan bij andere geschiedenissen.
Iets wat queer filmmakers van de generatie van Van Erp (1963) zich terdege lijken te beseffen. De laatste jaren zagen we in landen om ons heen al een opleving van aidsfictie: de mokerslag 120 BPM (Robin Campillo, 2017) over de Franse tak van activistenclub Act Up, de Britse serie over een Londense vriendengroep It’s a Sin (Russell T. Davies, 2021), het Amerikaanse Fellow Travellers (Ron Nyswaner, 2023), over twee geliefden die moeten wheelen en dealen in het Amerika van McCarthy en Reagan.
Deze verhalen worden verteld door makers die de aidscrisis als twintigers hebben meegemaakt en nu, op de valreep, daarover (nog eens) willen getuigen. Een inhaalslag, omdat er een gerede kans bestaat dat hun geschiedenis anders in de vergetelheid raakt.
Het minste wat nieuwe generaties queers kunnen doen is die geschiedenis tot zich nemen en eigen maken – het is ook onze geschiedenis. Laat Downtown niet de definitieve film over de Nederlandse aidscrisis zijn, maar het startschot van een golf nieuwe verhalen.
Downtown en Youri zijn te zien op NFF 2026 en draaien vanaf respectievelijk 1 en 15 oktober 2026 in de bioscoop.