Dune

Dune

Denis Villeneuve verfilmde de eerste helft van Frank Herberts sciencefictionklassieker Duin. In de visueel overdonderende ‘spice opera’ bleven de sterke kanten van de populaire roman overeind, maar ook de zwakkere elementen.

Een garantie dat hij zijn project kan afmaken kreeg Denis Villeneuve niet van zijn producenten. Het weerhield de Canadese regisseur er niet van om Frank Herberts eerste boek over het Duiniversum, gepubliceerd in 1965, maar half te verfilmen. Zonder risco is die aanpak in het verleden niet gebleken: Ralph Bakshi bewerkte in 1978 de helft van Tolkiens Lord of the Rings-trilogie tot een helemaal niet slecht bezochte rotoscope-animatie. Toch mocht hij zijn karwei niet afmaken.

Aan de andere kant is dat halve Duin-ei dat Villeneuve nu heeft gelegd al meer dan de lege dop waar Alejandro Jodorowsky medio jaren zeventig op zat te broeden. Jaren later leverde diens megalomane poging wel de fascinerende mislukkingskroniek Jodorowsky’s Dune op. Waarschijnlijk was dat een groter geschenk aan de cinefiele mensheid dan de veertien uur durende psychedelische trip waar de Chileense cultregisseur tevergeefs van droomde.

David Lynch leverde in 1984 wel een complete verfilming af van Herberts bijbeldikke roman. De cineast distantieerde zich er krachtig van nadat producent Dino De Laurentiis anderhalf uur uit zijn film wegsneed. Ook al werd het daar vast niet beter van: je moet er niet aan denken dat je als kijker nog langer had moeten doorbrengen met de rammelende decors, genante trucages en krukkige dialogen die de eindmontage wel haalden. Om nog maar te zwijgen over de buitensporige aandacht die Lynch besteedde aan de ranzige zweren op de huid van slechterik Baron Harkonnen en de ronduit verachtelijke filmmuziek van Toto.

Al vertelt Villeneuve voorlopig slechts het halve verhaal: voor het in de steigers zetten van Herberts duizenden jaren in de toekomst gesitueerde universum trekt hij wel meteen alle visuele registers open. Steden zijn opgetrokken uit massieve blokken beton, natuursteen en metaal. Grauwkleurige ruimtefregatten zweven als kolossale rotsblokken boven planeten. De adellijke families die elkaar naar het leven staan bewegen zich door hallen met imposante gewelven. Als er in de geschiedenis van homo sapiens ooit sprake was van de menselijke maat: in het jaar 10191 is die maat ver te zoeken.

De woestijnplaneet Arrakis – in de volksmond bekend als Duin – dient als het toneel voor een cynisch potje interplanetaire machtspolitiek. De autoritaire keizer van het bekende universum geeft het beheer over Duin aan Hertog Leto Atreides. Op het oog is dat een promotie, want Duin is de enige planeet waar de geestverruimende stof spice wordt aangetroffen. Dit uiterst kostbare goedje – in de Lynch-film foeilelijk ondertiteld als ‘spijs’ en hier nog lelijker als ‘specie’ – is essentieel voor intergalactische ruimtereizen en derhalve voor het voortbestaan van het imperium. Al snel blijkt de promotie een valstrik. De voormalige heersers van Arrakis, van het moreel verdorven Huis Harkonnen, spannen succesvol samen met keizerlijke elitetroepen om de populaire Atreides uit de weg te ruimen. Atreides’ tienerzoon Paul weet samen met zijn telepatisch begaafde moeder te ontsnappen, waarna hij zich aansluit bij de Vrijmans, een nomadenvolk dat al millennia lang weet te overleven in de onherbergzame woestijn.

Voordat Paul zijn zwerftocht begint, pakt Villeneuve uit met een spannend gefilmde sabotage van de spice-productie en een oorverdovende belegering van Atreides nieuwe onderkomen. Als libellen vormgegeven helikopters vliegen af en aan, terwijl laserkanonnen in de beste traditie van de klassieke ruimteopera de boel aan gort schieten. Visueel overdonderend zijn deze staaltjes spice opera zeker. Je voelt er alleen weinig bij. Dat is te wijten aan het bronmateriaal: Herbert schrijft nogal afstandelijk over de groeipijnen van de toekomstige messias Paul Atreides. Hoofdrolspelers Rebecca Ferguson en Timothée Chalamet doen – ondersteund door componist Hans Zimmer – hun best om de moeder-zoon-relatie een emotionele lading te geven. Hun drama legt het echter af tegen wapengekletter en politiek gekonkel. En dan zijn er ook nog die reusachtige zandwormen, die de duinen omwoelen en gemakkelijk complete machinerieën verzwelgen. In zijn vervolgen op Duin legt Herbert omstandig uit waarom die wormen zo essentieel zijn voor het ecosysteem van Arrakis. In mijn ogen blijven het toch een beetje kille (en licht bespottelijke) b-filmmonsters.

Aan het einde van zijn halve verfilming heeft Villeneuve een solide basis gelegd. Als de regisseur zijn ambitieuze klus mag afmaken, kan hij voortborduren op de reeds geschetste ecologische thematiek: een koloniale mogendheid die de lokale bevolking onderdrukt om roofbouw te plegen op schaarse grondstoffen. Herbert ontleende deze thematiek aan Lawrence of Arabia. Stilistisch kan Villeneuve’s Dune zich in elk geval meten met David Leans klassieke woestijnepos.