Simon Field (1946-2026)
'Wat is het brood en wat het beleg?'
Simon Field tijdens een masterclass met Claire Denis op IFFR 2019. Foto: Jan de Groen/IFFR
Het hele leven van de op 16 juli jl. overleden Simon Field stond in het teken van het medium cinema (en een beetje van vogelen): als docent, hoofdredacteur, programmeur, directeur en producent. Tussen 1997 en 2004 was de beminnelijke Brit directeur van het International Film Festival Rotterdam. Hij stierf na een kort ziekbed op tachtigjarige leeftijd.
Simon Field volgde op 1 juli 1996 Emile Fallaux op als directeur van het IFFR en onder zijn leiding (en dat van adjunct-directeur en vanaf 2000 codirecteur Sandra den Hamer, die hem na 2004 opvolgde) groeide het festival enorm, van 215.000 naar 350.000 bezoekers bij zijn afscheid in 2004. Die groei had deels te maken met het meedoen van het Pathé-concern aan het festival, waardoor er (nog steeds) jaarlijks rijen filmliefhebbers op het Schouwburgplein staan.
Ondanks de groei bleef het festival trouw aan zijn artistieke wortels en de ideeën van oprichter Huub Bals: het vertonen van onafhankelijke producties, kunstzinnige en experimentele films en het bieden van een podium aan nieuwe filmmakers (deels middels de nog door Fallaux opgezette Tiger-competitie). Field had een voorkeur voor de – in die tijd opkomende – Aziatische cinema en films uit Afrika en Latijns-Amerika.
Field introduceerde de programmaonderdelen ‘Filmmakers in Focus’, ‘Exploding Cinema’ en ‘Cinema Regained’ en selecteerde de films die meedongen naar de Tiger Awards. Voor het Exploding Cinema-programma werkte hij samen met Rotterdamse kunstinstellingen als Witte de With en V2 – een samenwerking die al eerder begonnen was maar die hij verder uitbouwde. Ook de openingsfilms uit zijn tijd bij het IFFR zijn memorabeler dan nu gebruikelijk, met onder andere Basquiat (Julian Schnabel), Le vie de Jésus (Bruno Dumont) en Felice… Felice… van de Nederlandse filmmaker Peter Delpeut.
Daarnaast gaf hij zijn programmeurs, waaronder Gertjan Zuilhof, Gerwin Tamsma en Erwin Houtenbrink, ruim baan om hun specialismen vorm te geven. Houtenbrink sprak in vakblad Screen Daily lovend over zijn voormalige baas: “Intelligent, vriendelijk, vergevingsgezind, erudiet en een cinefiel met een zeer brede kennis en smaak. Een echte mentor en inspiratiebron die door vrijwel iedereen geliefd was. Ik weet uit ervaring dat het allerminst vanzelfsprekend is dat mensen in hoge posities ook vriendelijk zijn.” De laatste opmerking lijkt een sneer naar de huidige directeur Vanja Kaludjercic, die Houtenbrink en zijn collega’s vlak na haar aantreden zonder pardon ontsloeg.
Machinerie
In een interview met Peter van Bueren in de Volkskrant in 1997 legt Field uit waarom er weinig Hollywood-films op zijn IFFR draaien: “Natuurlijk ben ik niet tegen Hollywood, maar wel tegen de niet te ontkennen machinerie. Ik ben tegen de dominantie van films die worden gemaakt door marketingmensen en alleen een reflectie zijn van de American way of life and human values, als het enige dat er zou zijn. Ik ben daarom tegen Forrest Gump, ook tegen Twister. Ik ben zeer geïnteresseerd in special effects, maar walg van de banaliteit van plots. Uiteindelijk maken die films mensen stom, met hun herhalingen van banaliteiten en goedkope bevrediging. In Rotterdam kun je nog laten zien dat er meer menselijke waarden in de wereld zijn en andere levenswijzen.”
In 2003 werd de samenwerking sleets. Zo werd er geklaagd dat Field weinig op de festivalburelen was en de toenmalige bestuursvoorzitter vond het “erg jammer” dat Field geen Nederlands sprak, ondanks zijn belofte een cursus te doen. Dus werd zijn contract niet verlengd, de editie van 2004 werd zijn laatste. Vijf jaar geleden blikte hij in NRC terug op zijn tijd bij het toonaangevende filmfestival: “Toen ik begon, stond de filmwereld door de opkomende digitalisering voor grote veranderingen. Het was duidelijk dat bioscopen al lang niet meer de enige plek waren om films te kijken. […] Het was een goede tijd voor de onafhankelijke cinema. De catalogi werden elk jaar dikker, we konden echt groeien.” Hij memoreert hoe hij indertijd “zeer tongue-in-cheek” opbiechtte de ‘sandwichformule’ te hebben geadopteerd: “Wij konden voor het eerst gebruik maken van de Pathé op het Schouwburgplein. Uitdagende, avantgarde-producties afwisselen met betere publieksfilms. De vraag is dan wel altijd: wat is het brood en wat het beleg?”
Filmclub
Tijdens zijn studio Sociologie aan de universiteit van Essex sloot hij zich eind jaren zestig aan bij een filmclub. In een interview met NRC in 1998 vertelt hij er vol liefde over: “De filmclub was mijn opleiding. Filmcursussen waren toen nog schaars, ik kon er pas een gaan volgen toen ik in Londen ging wonen. Maar ook daar leerde ik vooral door naar de film te gaan. Dat kan nu niet meer. De bioscopen vertonen geen oude films meer; repertory cinema bestaat nauwelijks meer. In Londen heb je alleen nog de Everyman, in Nederland het Filmmuseum. Je kunt bijna nergens het verleden zien. Filmgeschiedenis zou ook, net als literatuurgeschiedenis, op school moeten worden onderwezen.”
Tussen 1970 en 1987 was Field oprichter en hoofdredacteur van het onregelmatig verschijnende filmblad Afterimage (in totaal 13 nummers, waaronder veel themanummers), dat veel aandacht schonk aan experimentele films en wat toen radical cinema heette. In 1988 werd hij hoofd van de filmafdeling van het Londense Institute for Contemporary Art, waar hij ook een filmdistributietak opzette. Acht jaar later lonkte het IFFR, al bleef Engeland zijn thuisbasis.
Na zijn vertrek uit Rotterdam werd hij filmproducent en sloot hij zich aan bij Keith Griffiths’ productiemaatschappij Illuminations Films, dat onder meer films produceerde van IFFR-lievelingen als Mahamet-Saleh Haroun, Tsai Ming-liang, Garin Nugroho, Bahman Ghobadi en Apitchatpong Weerasethakul. Zij deden in 2006 mee aan het project New Crowned Hope, een serie auteursfilms gemaakt in het kader van de viering van de 250ste verjaardag van Mozart.
Field zette de samenwerking met Weerasethakul tot aan zijn dood voort, het leverde artistieke hoogtepunten op als Gouden Palm-winnaar Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives (2010), Memoria (2021, met Tilda Swinton) en het volgend jaar uit te brengen Jenjira’s Magnificent Dream (opnieuw met Swinton). Weerasethakul schreef op Instagram lovende woorden over zijn producent: “Ik heb een belangrijke metgezel verloren, met wie we jarenlang vol liefde samen films hebben gemaakt. Ik kan me geen zorgzamere en ondersteunende producent voorstellen, noch een vriendelijkere gentleman. We hadden te maken met veranderende praktijken in de filmwereld en bij de filmfinanciering. Maar Simon gaf nooit op en sloot nooit compromissen.”