Berlinale 2026

In Berlijn kan Israël geen kwaad doen

Uchronia-crew bij hun Berlinale-première. Foto: Leo Hugendubel

Het ging in Berlijn dit jaar, naast de films, met name over de verhouding tussen filmmakers en politiek. Het was een knappe afleidingsmanoeuvre van een festival dat zich vooral niet wil uitspreken tegen Israël. Een beknot overzicht.

Wie had gedacht dat de jury van het politiekste aller A-festivals een vraag zou krijgen over Gaza? Iedereen, natuurlijk. Toch noemde Ewa Puszczyńska, nota bene producent van Jonathan Glazers The Zone of Interest (2023), die vraag op de jurypersconferentie “onverwacht” en “een beetje oneerlijk”. Juryvoorzitter Wim Wenders antwoordde: “We moeten ons niet bemoeien met politiek.”

Waarop de Indiase auteur en filmmaker Arundhati Roy afzegde met een verontwaardigd statement in The Wire, twee gerestaureerde Egyptische klassiekers werden teruggetrokken, filmmaker Xavier Dolan in Le Monde pleitte vóór activistische “kunstenaar-burgers”, een open protestbrief ruim honderd handtekeningen verzamelde van internationale filmprominenten, van Tilda Swinton tot James Wilson (ook producent van The Zone of Interest), en de discussie verder vooral ging over of je van films en filmmakers politieke stellingnames mocht verwachten.

Maar: dat was de vraag niet geweest. Die ging over het festival zelf: “De Berlinale heeft als instituut solidariteit getoond met mensen in Iran en Oekraïne, maar nooit met Palestina – zelfs nu niet. Gezien de steun van de Duitse overheid aan de genocide in Gaza en hun rol als belangrijkste financier van de Berlinale: ondersteunen jullie, als juryleden, deze selectieve behandeling van mensenrechten?” Een volkomen terechte vraag, waartegen festivaldirecteur Titia Tuttle later twee verweren spinde: dat het zou gaan om clickbait en dat Wenders niet namens het festival kon spreken.

Maar vragensteller Tilo Jung is een politiek journalist en podcaster, die programma’s heeft gemaakt in de Arabische wereld en Palestina-Israël. Dat hij speciaal naar de Berlinale kwam voor deze vraag lijkt me zijn goed recht en bovendien vroegen allerlei collega’s later ongeveer hetzelfde.

En over Wenders: als juryvoorzitter ben je in functie; je reikt niet jouw Gouden Beer uit, maar die van de Berlinale; je stem draagt extra gewicht. Bovendien kan Wenders ook nog altijd spreken namens zichzelf: het gezicht, om niet te zeggen geweten van de Duitse filmwereld. Op de slotavond gaf Wenders er ogenschijnlijk een elegante draai aan, door journalistiek activisme noodzakelijk te noemen – maar anders dan cinema.

Maar: niemand beweerde dat ze hetzelfde zijn. Deze hele discussie was een rookgordijn. De Berlinale doet probleemloos politieke uitspraken als het over Oekraïne of Iran gaat. Dan mag de Oekraïense president Zelensky op de openingsavond spreken, verkoopt de Berlinale Oekraïne-speldjes en worden speciale steunprogramma’s opgetuigd – waar actiegroep Film Workers for Palestine nu vergeefs om vraagt. En ook Wenders zelf waarschuwt met zijn kortfilm The Keys to Freedom (2025) dat de grootschalige Russische inval in Oekraïne een “oorlog tegen Europa” is – die stellingname durft hij wél aan.

Maar als het over Palestina-Israël gaat, gaan de monden op slot. Niet voor niks werd dit jaar als reactie een onafhankelijke ‘Palinale’ georganiseerd. Terwijl Tuttle in 2025 wél participeerde in een wake voor Israëlische gijzelaars van Hamas. Ja, ook vanwege de gekidnapte acteur David Cunio, over wie de Berlinale een documentaire vertoonde, maar toen onlangs de Palestijnse regisseur Hamdan Ballal van Berlinale-documentairewinnaar No Other Land (2024) opnieuw werd aangevallen door Joodse kolonisten en het Israëlische leger, bleef een reactie uit.

Toen Ballals coregisseurs, de Palestijnse Basel Adra en Joodse Yuval Abraham, destijds hun Berlinale-prijs in ontvangst namen, werden hun opmerkingen over bloedbaden en Israëlische apartheid door Duitse parlementariërs betiteld als “antisemitisch”, er werd gedreigd de festivalfinanciering stop te zetten en de aanwezige cultuurminister Claudia Roth verklaarde achteraf alleen voor Abraham geapplaudisseerd te hebben, niet voor Adra.

De lijnen tussen het festival en de Duitse politiek zijn kort en vergaande kritiek op Israël is taboe. Net zoals Duitse kranten het woord ‘genocide’ vermijden en ageerden tegen Jungs “Gaza-obsessie” (FAZ). Zelfs bij Wikipedia heet het Engelse lemma ‘Gaza genocide’ op de Duitse pagina ‘Völkermordvorwürfe gegen Israel im Gaza-Krieg seit 2023’ – en dat is niet censuur, maar cultuur, die, hoewel vergelijkbaar, onwrikbaarder is dan in Nederland.

Het komt in Duitsland ook zeker niet alleen van rechts: Roth is een kopstuk van de Groenen en klimaatminister Carsten Schneider, die ditmaal bij de prijsuitreiking wegliep toen de Palestijns-Syrische regisseur Abdallah Al-Khatib (debuutprijs, Chronicles from the Siege) de Duitse regering vanwege hun wapenleveranties “medeplichtigheid aan de genocide door Israël in Gaza” verweet, is van de SPD.

Dankzij Al-Khatib en Marie-Rose Osta (beste kortfilm, Someday a Child), die het opnam voor kinderen in Palestina en haar eigen thuisland Libanon, ging het bij de prijsuitreiking, politiek gezien, uiteindelijk toch nog over de slachtoffers zelf. Ondertussen gaf Wenders’ jury de Gouden Beer aan de meest politieke film in competitie, Gelbe Briefe van de Turks-Duitse İlker Çatak, over kunstenaars die in een autoritair regime moeten beslissen of ze de macht tarten of meebuigen.

De volgende dag noemde de huidige cultuurminister Wolfram Weimer in de Tagesspiegel Al-Khatibs uitspraken “giftig” en de open protestbrief “onacceptabel”: “Het Palestina-activisme toonde op de Berlinale met zijn Israël-haat, agressie en bekentenisdwang z’n lelijke gezicht.”


Lees meer verslagen over het festival en de vertoonde films op Filmkrant.nl/Berlinale.