De hypocinema van Jane Schoenbrun

Ondergedompeld in de filmervaring

Datum
01-07-2026
Verschenen in

Teenage Sex and Death at Camp Miasma

Net als in de rest van Jane Schoenbruns oeuvre verdwijnen de personages in Teenage Sex and Death at Camp Miasma in een wereld op een scherm. Een film over een film, dat moet wel meta zijn. Of niet?

“Het is géén meta!”, roept de 29-jarige regisseur Kris gefrustreerd. Ze heeft haar plannen voor een reboot van de slasher-franchise Camp Miasma aan de hoge bazen van een productiemaatschappij gepresenteerd, die haar idee om een verband te leggen tussen het fictieve universum en het echte leven met dat woord samenvatten.

Het ligt voor de hand om de opmerking van Kris als een zelfbewuste grap op te vatten. Teenage Sex and Death at Camp Miasma lijkt immers onmiskenbaar meta. Zoals in zoveel films-over-films vervagen gaandeweg de grenzen tussen de film die de fictieve regisseur aan het maken is en de film van de echte regisseur die wij aan het kijken zijn. Waarbij in dit geval de fictieve jonge queer regisseur Kris ook nog eens een stand-in is voor de echte regisseur Jane Schoenbrun.

Kan het ook zo zijn dat we het personage Kris wel degelijk op haar woord moeten geloven? Dat Teenage Sex and Death at Camp Miasma helemaal niet meta is, ondanks dat het een film-over-een-film is?

De veelbelovende filmmaker Kris krijgt de opdracht om een in diskrediet gebrachte slasher-franchise nieuw leven in te blazen. Ze gaat op bezoek bij Billy, die in de originele film de final girl speelde en nu in het inmiddels verlaten kamp woont waar die film ooit werd opgenomen. Dat klinkt inderdaad erg meta.

Maar waar zelfbewuste verwijzingen in de metacinema er vooral op gericht zijn ons eraan te herinneren dat we naar een film kijken, waardoor ze ons op ironische wijze op afstand houden, geldt hier het tegenovergestelde. Voor Schoenbrun is cinema meeslepend en levensveranderend – niet zomaar een spelletje.

Op een gegeven moment zegt Kris dat ze niet “nog een remake van nog een remake van nog een remake” wil maken, waarop Billy terloops opmerkt dat de originele film “gebaseerd is op een echte seriemoordenaar”. Je zou dit kunnen opvatten als een erkenning dat niets origineel is, maar het is vooral een aanwijzing dat er in Schoenbruns oeuvre geen onderscheid bestaat tussen ‘film’ en ‘werkelijkheid’, of in ieder geval dat dit onderscheid continu vervaagd en bevraagd wordt.

I Saw the TV Glow

Verstrikt
Voor Schoenbrun zijn schermen vensters naar een andere wereld waarin kijkers zichzelf verliezen. In I Saw the TV Glow (2024) raakt de tiener Owen geobsedeerd door een tv-programma genaamd The Pink Opaque. In We’re All Going to the World’s Fair (2021) raakt het eenzame tienermeisje Casey verstrikt in een online challenge, zozeer dat ze zichzelf verliest in het plaatsen van video’s op het internet.

In Teenage Sex and Death at Camp Miasma vertelt Kris aan Billy dat ze zich tijdens de seks voorstelt dat de seriemoordenaar – die de toepasselijke naam ‘Little Death’ draagt, naar de Franse term voor orgasme, en een airco-luchtrooster als hoofd heeft – haar komt halen. Door als kind naar Camp Miasma te kijken ontdekte Kris dat ze queer is; door zich samen met Billy naar de wereld van die films te verplaatsen heeft ze voor het eerst een bevredigende seksuele ervaring.

Het zijn de gevoelens die we koesteren ten aanzien van fictieve werelden die het centrale thema van Schoenbruns oeuvre vormen. Film heeft in hun visie zo’n grote invloed op ons leven, dat een film maken over het menselijk bestaan noodzakelijkerwijs betekent: het erkennen van de rol die internet, film en fancultuur daarin spelen. Keer op keer laat Schoenbrun zien dat we onszelf ontdekken door ons te verhouden tot fictieve werelden. Owen wordt bewust van zijn genderdysforie door naar The Pink Opaque te kijken, Kris heeft haar queer-bewustwording door het kijken naar Camp Miasma.

Misschien is de nadruk op de invloed van cinema op ons leven de reden waarom Schoenbruns films vooral gaan over het kijken naar films (en series en filmpjes), en niet over het maken van een film – iets dat vaak centraal staat in metacinema. Teenage Sex and Death at Camp Miasma gaat dan wel over een filmmaker en een acteur, maar de film draait bovenal om hun ervaring als kijkers. Kris is al vanaf jonge leeftijd geobsedeerd door de Camp Miasma-films en ze heeft de films al talloze keren gezien. Ook Billy lijkt wezenlijk veranderd door haar ervaring op de set, waarbij ze zichzelf door het oog van de camera inbeeldde en voor het eerst opgewonden raakte. 35 jaar na dato kijkt ze de originele filmrollen nog steeds, in de hoop iets van dat gevoel op te roepen.

Jane Schoenbrun maakt films over hoe films ons leven binnendringen, deel van ons worden. Ik zou Teenage Sex and Death at Camp Miasma, en het oeuvre van Schoenbrun in bredere zin, dan ook niet omschrijven als metacinema maar als hypocinema, naar het Griekse woord voor ‘onder’. Hun films creëren geen al dan niet ironische afstand tot de filmervaring, maar dompelen zich erin onder. Als ‘meta’ de indruk wekt dat iets erboven zweeft, dan suggereert ‘hypo’ dat het steeds dieper in zichzelf wegzinkt.

Letterlijke metaforen
Na de populariteit van metafilms in de jaren negentig is het voor mediawijze kijkers tegenwoordig bijna een reflex om films over films te zien als een zelfbewust artistiek middel. Schoenbrun probeert deze instelling te doorbreken door de media-binnen-de-film niet louter als een conceptuele puzzel of een intellectuele metafoor te behandelen.

Het ligt misschien voor de hand om de fictieve films in Schoenbruns oeuvre metaforen te noemen: de seriemoordenaar Little Death een metafoor voor seks, de tv-serie The Pink Opaque een metafoor voor genderdysforie, het internet een metafoor voor dissociatie. Maar Schoenbrun laat keer op keer zien dat ze letterlijk bedoeld zijn. ‘Little Death’ is verlangen, de tv-serie is dysforie, het internet is een plek waar we in kunnen verdwalen en onze identiteit los kunnen laten.

Voor Teenage Sex and Death at Camp Miasma nam Schoenbrun twintig minuten van de fictieve Camp Miasma-film op, en deze minifilm krijgen we in zijn geheel te zien. De film-in-de-film is zo daadwerkelijk een film, geen conceptueel geintje, en we moeten ons er als zodanig toe verhouden.

Schoenbrun schenkt in hun films speciale aandacht aan de fysieke aard van media: de ruis van een tv, dvd-hoesjes en merchandise. Teenage Sex and Death at Camp Miasma begint met een scène waarin dit soort voorwerpen – posters, beeldjes, dvd-hoesjes – zijn uitgestald, en in I Saw the TV Glow speelt de gloed van een tv-programma een belangrijke rol.

In plaats van steeds abstracter te worden, zoals metacinema graag doet, maken Schoenbruns films telkens de beweging van het rationele naar het fysieke en van het ingebeelde naar het werkelijke. Teenage Sex and Death at Camp Miasma begint met een intellectuele filmmaker, die gaandeweg de zintuiglijke invloed van media ontdekt. I Saw the TV Glow gaat over iemand die tijdens het tv-kijken droomt van een ander leven, maar gaandeweg ontdekt dat die tv-serie zijn echte leven is. Casey beeldt zich aanvankelijk alleen de World Fair in, maar verliest zichzelf uiteindelijk volledig in de kermis van het wereldwijde web.

De slogan van de fictieve Camp Miasma-franchise luidt: “Als het te echt wordt, kun je het altijd uitzetten”, maar voor Kris en Billy blijkt dit juist onmogelijk. Schoenbrun toont dat je film niet zomaar van je kunt afschudden.


Teenage Sex and Death at Camp Miasma draait vanaf 20 augustus 2026 in de bioscoop.