Venetië 2026: NL XL XR
‘Je hebt die botheid nodig’
Filmkrant-medewerker Feline Swaab doet Honeyboys op Venice Immersive 2026. Foto: KEES Driessen
In cinema is Nederland internationaal een dwerg, maar in XR zijn we een reus. Hoe kan dat? Waarom is NL XL in XR? Een informele brainstorm met vier Nederlanders tijdens Venice Immersive: Celine Daemen, Tibor de Jong, Nienke Huitenga-Broeren en Steye Hallema.
Als Nederlanders Cannes en Venetië zouden winnen, zou het land op z’n kop staan.
Verrassing: dat hebben we gedaan! In de Immersive-programma’s, met Celine Daemens Songs for a Passerby in Venetië in 2023 en Michel van der Aa’s From Dust in 2025. Plus nog allerlei andere internationale prijzen en selecties.
Al is de Nederlandse cinema internationaal gezien een dwerg, in XR (en daaronder versta ik hier alles wat wordt gepresenteerd als ‘immersieve media’) zijn we een reus. En daarnaast zijn we ook nog eens het eerste land ter wereld met een eigen VR-bioscoopprogrammering, Nu:Reality.
Ook dit jaar is Nederland weer sterk vertegenwoordigd in het programmaonderdeel Venice Immersive (dat, op z’n eigen kleine eiland, feitelijk fungeert als een autonoom evenement naast het filmfestival). Met drie Nederlandse werken in competitie, Celine Daemens Nothing to See Here (ook al op IDFA te zien), Tibor de Jongs Honeyboys en Nienke Huitenga Broerens Amsterdam 1652 (al langer te bezoeken in Amsterdam zelf). Bovendien had het jubilerende Venice Immersive voor het feestje van hun tiende verjaardag Steye Hallema’s collectieve smartphone-ervaring La laguna parla uitgenodigd.
Ik wil weten waarom. En daarom heb ik deze vier makers uitgenodigd om met mij te brainstormen over deze vraag: waarom is NL wél XL in XR?
Nienke Huitenga Broeren: “We zijn nu in Venetië. Een plek waar je helemaal overdonderd kan worden door schoonheid. Heerlijk – maar na zes dagen ben ik het wel een beetje zat. Ik voel me niet meer vrij in m’n eigen denken. En dat is iets wat ik ook bij jullie herken, dat je het publiek niet alleen maar wil pleasen. Nee, je wilt mensen ook een beetje…”
Tibor de Jong: “Aanpakken.”

Nienke: “…aanpakken. En dat is soms confronterend. En soms is het: ik verleid je tot een perspectief dat je nog nooit over jezelf hebt gehad, zoals Nothing to See Here doet. Dat is een meer conceptuele benadering dan wat ik herken bij mijn buitenlandse collega’s. Wij beschouwen het medium ook als iets waar je net even wat anders mee kunt doen.”
KEES Driessen: “Wij zijn goed in experimenteren?”
Nienke: “Ja.”
KEES: “Maar de Nederlandse cinema staat dan weer niet bekend als superexperimenteel.”
Celine Daemen: “Ja, daar zat ik ook aan te denken.”
Nienke: “Theater wel.”
Celine: “Ja, en dat is fundamenteel anders dan film, waar je eigenlijk niet echt in die rode pluchen stoel bent. Je bent bij dat platte scherm. Je bent niet aanwezig in de ruimte. Een grote uitdaging voor VR is om daarvoor iets te ontwerpen. Zodat het publiek zijn eigen aanwezigheid gaat ervaren in die ruimtes. Dat is iets waar het Nederlandse theater al heel lang mee experimenteert. Veel Nederlandse immersieve makers komen uit dat theater. En brengen dus een bepaalde kennis mee over hoe je kunt ontwerpen voor de presence van het publiek.”
KEES: “Dat sluit aan bij wat Michel van der Aa zei, toen ik hem dezelfde vraag voorlegde. Hij wees erop dat Nederland ook in de nieuwe klassieke muziek al heel vroeg multimediaal is gaan werken.”
Steye Hallema: “Ik ben ooit begonnen met PIPS:lab, een soort theater. En daardoor voelde ik me toen VR kwam best wel arrogant: ik weet al hoe dit werkt. Ik snap het al. Omdat we al zo veel met technologie hadden geëxperimenteerd. En we hadden ook al het dogma dat we het publiek wilden ‘ontschapen’. We zetten bijvoorbeeld een computer op het podium. Maar die crashte voortdurend. We hadden eigenlijk pas echt succes toen wij, als de computer crashte, een liedje zongen. Dat het allemaal niet lukte. Dat was heel herkenbaar voor iedereen. Daarin zat al het begin van echt nadenken over hoe je het publiek mee kunt krijgen. Want veel makers zijn vooral bezig met zenden. Terwijl als het allemaal niet helemaal lukt, en een beetje moeilijk is, daar zitten allemaal mogelijkheden om een verhaal te vertellen.”
Tibor: “Maar wat maakt dat dat andere landen niet zo lukt?”
Steye: “Nou ja, Nederland heeft een heel goede en ook heel slechte eigenschap: we zijn gewoon heel erg egalitair. Dus dat betekent dat je niet meteen van je voetstuk valt als je een keer faalt.”
Tibor: “Ja, dat niet-hiërarchische. Bij VR lopen dingen vaak mis. Het is toch altijd een beetje aanpoten en uitzoeken. Als je dan eerst een hele structuur van producent, regisseur en alle mensen eronder hebt die daar wat van moeten vinden… Terwijl juist als je niet zo hiërarchisch bent, dan vallen die projecten wat minder snel uit elkaar. Omdat iedereen het altijd meteen zegt wanneer ze iets niet mooi vinden.”
Celine: “Ja, daar zit wel iets in. Ik denk dat als je een heel hiërarchisch team hebt, dan doet dit team dat stukje, en als dat af is, gaat het naar het volgende team en dan doen die dat stukje. Waardoor je eigenlijk nooit meer het roer kan omgooien. Nooit meer naar het werk kan luisteren. Wat wil die ervaring zelf eigenlijk zijn? Terwijl, bij ons is iedereen fucking eigenwijs. En zegt het gewoon als ze vinden dat het niet werkt.”
Tibor: “Dát. En dat heb je ook nodig, zolang niemand nog precies weet wat je eigenlijk aan het maken bent.”
Celine: “Dat zit ook in de instituten. Zelfs de Nationale Opera heeft een tijdje geleden een zaal geopend waar kunstenaars met technologie kunnen experimenteren. Dus zelfs onze meest formele huizen staan open voor experiment. Inmiddels – het is niet altijd zo geweest. Maar dat is in andere landen niet per se gezegd, dat de nationale opera zin heeft om te gaan componeren met een paar leuke Kinect-camera’s en een handjevol sensoren.”

Nienke: “Dat je nog niet precies weet wat er aan de hand is, wat Tibor zegt, dat is natuurlijk wel inherent aan hoe Nederland in elkaar zit. Laat ik het op de metafoor van het water gooien: je moet altijd anticiperen op iets, waarvan je tegelijkertijd ook maar weer moet afwachten wat het dan uiteindelijk is.”
Celine: “Je noemde Nederland eerder conceptueel sterk. Maar ik denk eigenlijk dat het medium helemaal niet conceptueel is. Ik denk dat VR verlangt dat je wordt geraakt. Doordat een uitzicht mooi is. Doordat een gang heel krap en benauwd is. Het goede van zo’n ontwerp krijg je alleen door het te proberen en te ervaren, totdat je denkt: ah ja, zo voelt het goed.”
KEES: “Maar waarom kunnen wij dat?”
Nienke: “Als ik dan nog een metafoor mag noemen: we zijn een land van fietsen. We willen graag een soort vrijheid voelen, die ook technisch goed functioneert. Dus zo’n fiets is technisch geoptimaliseerd om met een zekere vrijheid van A naar B te gaan.”
KEES: “Zijn wij dan relatief technisch?”
Nienke: “Ja, zeker.”
Tibor: “Ja, dat denk ik ook wel. Ook oudere mensen. En de meeste kinderen ook.”
Steye: “Kijk, als we dan toch gaan opscheppen: we zijn gewoon mensen die polders hebben aangelegd, en goeie fietspaden. Schiphol was lange tijd een schoolvoorbeeld van goed design. En we zijn ook heel streng als iets niet goed geregeld is. Wat trouwens ook een verschrikkelijke eigenschap kan zijn.”
Tibor: “Ik denk wel dat Nederlanders vrij goed zijn in dingen snel organiseren. Dus dat zo’n financiële regeling best snel op poten is gezet. Dat er in ieder geval iets van geld was. Ik denk dat vooral geld de reden is waarom Nederland zoveel beter is dan andere landen. Ik denk niet dat Nederlanders inherent beter zijn in het maken van dingen in 3D omdat ons landschap plat is. Ik denk niet dat het zo werkt.”
Steye: “We zijn gewoon een relatief rijk land. Je kan het in Nederland als een soort vaag idealist lang volhouden om kunst te maken. Wat betekent dat mensen met echt talent op een gegeven moment komen bovendrijven.”
Tibor: “En we zijn best zuinig. Dus die relatief kleine budgetten die we hebben, die weten we vrij lang te rekken. Er zo veel mogelijk uit te halen. Want als je met je grote budgetten met iedereen gaat lunchen, dan gaat het geld toch ook weer zo op. Maar Nederlanders lunchen niet. Die werken gewoon door en eten een boterham achter de computer.”
Nienke: “We hebben denk ik ook relatief weinig gatekeeping. Er is wel wat gatekeeping natuurlijk, er zijn subsidies met commissies en festivals met curatoren. Maar er zijn niet zo veel drempels om ergens aan te beginnen. Ik heb in de afgelopen tien jaar allerlei kansen kunnen krijgen, omdat iemand dan zo gek is om te zeggen: ja, probeer eens.”
Celine: “Het heeft er misschien ook mee te maken dat dingen in Nederland klein zijn. Dat dat ons wendbaar maakt. Dat je dan dus én experimenteler kan werken, én wat jij zegt, dat je snel dingen kan regelen als dat nodig is. Omdat je niet een enorme olietanker bent. Aan de andere kant, als je op grotere schaal wil gaan werken, dan heb je daarvoor wel die grotere systematisering nodig. En dat kunnen andere landen beter dan wij.”
Tibor: “Nederland is ook al behoorlijk lang een digitaal land. Als je kijkt, Venetië, superleuk – maar hier een kaartje voor een voorstelling boeken is een hel. En alles werkt nog met pdf’jes. Terwijl, wij hebben al honderd jaar die DigiD-app, weet je wel? Nederlanders zijn verwend; overal is goede internetverbinding. Dat is toch de basis voor dat je iets met de computer gaat doen.”
Celine: “En hoewel je met kunst bij Nederlanders niet echt aan hoeft te komen, krijg je met de mantel der innovatie opeens wel kansen. Tenminste, ik zou in het theater nooit mogen maken wat ik in VR maak. Omdat het poëtische, filosofische, vage shit is. Maar onder de mantel der innovatie mag het wel.”
Steye: “Haha, dit is mijn citaat!”
Tibor: “Ik denk dat je daar een heel goed punt hebt. Als je maar een zweem van het startup-achtige eraan kan hangen, dan mag je opeens alles doen wat je wil. Dat is wel echt zo.”
Steye: “Ja, ik verkoop echt hippie-shit onder het mom van innovatie. En jullie ook.”
Celine: “Ik denk ook dat het kunstveld in Nederland extreem interdisciplinair werkt. En misschien is dat ook omdat we klein zijn. Dus het Stedelijk moet wel samenwerken met het Muziekgebouw. Dat is iets heel anders dan Hollywood of een opera in New York. Amerikanen zijn heel goed in systematiseren: er is één model en dan rollen we daar elke keer hetzelfde uit. Nederland is het absoluut tegenovergestelde. En wat VR nodig heeft, is dat tegenovergestelde. Waarin de disciplines zich allemaal ertegenaan bemoeien. Al proberend komen we tot een ervaring.”
Nienke: “Ik denk dat wij als makers heel expliciet moeten zijn over de noodzaak van dit proces. Dus ja, dingen optimaliseren of opschalen of dingen blijven steunen om ze te versterken is interessant. Maar er moet ook een soort proces komen dat heel specifiek is voor immersieve kunst. En dat is ook wat ik vermoed: dat Nederlandse makers, Nederlandse producties procesmatiger, strategischer zijn dan in andere landen.”

Steye: “Dat zou heel goed kunnen. Ik schrijf altijd in iedere aanvraag op hoe ik het ga aanpakken. Ik had bijvoorbeeld voor Ancestors een keer een startsubsidie en daarmee heb ik een haalbaarheidstest gedaan. Zodat ik wist: ik kan het halen met deze technologie. Vervolgens krijg ik een afwijzing dat het inhoudelijk niet goed genoeg is uitgewerkt. Dan zakt echt je broek af. Wat willen jullie nou dat ik doe? Dus ik denk dat de bal bij ons ligt. Ik denk dat wij heel duidelijk tegen fondsen moeten zeggen: jongens, dit proces is belangrijk.”
Celine: “Ik ontwikkel altijd eerst een proof of concept. Sluit mij maar twee weken op met drie kabels en één andere maker, totdat ik weet wat ik wil. Kom dan maar met het hele apparaat met die honderd Amerikanen die dit nu met mij gaan opnemen in die volumetrische videostudio. Maar wel pas daarná.”
Nienke: “Met internationale partners merk ik vaak dat zij vanuit een soort reflex zeggen: dit is nou eenmaal zoals we het doen. Dus gaan we op die manier werken. Dan probeer ik te onderhandelen van, hé, eigenlijk is het misschien niet zo handig, want ik weet niet of wat we op papier hebben opgeschreven wel werkt voor het publiek en kunnen we dit niet eerst met een lelijke versie even testen? Dat is dan best een moeilijk gesprek, omdat ze zoiets hebben van ja, maar dat is niet hoe we werken.”
Celine: “Ik heb een vraag. Speelt de Hollandse nuchterheid hierin een rol?”
Nienke: “Jazeker.”
Tibor: “Denk het wel. En de huizencrisis ook.”
Anderen: “Hahaha!”
Tibor: “Nee, huizencrisis denk ik echt. Want eerst maakte ik grote collages, grote schilderijen. Maar ja, dat gaat niet, met de huur die je moet betalen. Toen dacht ik: ik ga op de computer werken. Dan zit in elk geval alles daarin. En ik denk niet dat ik de enige ben. Dus hoe duurder de huizen, hoe minder plek, hoe meer alles digitaal moet worden.”
KEES: “Dit kan een heel commercieel VR-project worden, Je eigen huis. En dan doe je de bril op en dan is het net alsof je daar bent.”
Celine: “Daarvoor heb je eigenlijk maar tien vierkante meter nodig.”
Tibor: “Ja, misschien de Nederlandse maakbaarheid van de ruimte, zowel publiek als in je eigen huis. Misschien is dat wel de verklaring.”
Celine: “Maar nog even terug naar de Hollandse nuchterheid. Ik denk dat er wel iets zit in heel eerlijk durven reflecteren. Wat Nienke zegt, je moet iets testen. En dat is misschien niet hoe dat op veel plekken gaat. Maar je moet gewoon durven zeggen: wat zie ik nou echt? Wat voel ik nou echt? En daar heel eerlijk over durven zijn. Oh, dit is echt gewoon kneuterig. Terwijl het allemaal zo’n vet goed idee was.”
Tibor: “Maar het klopt niet. Het werkt gewoon niet.”
Celine: “Daar moet je eerlijk over zijn. En daarvoor heb je wel een bepaalde soort botheid nodig. Om echt eerlijk te kunnen bekijken of iets werkt.”
Nienke: “Je hebt die botheid nodig. En ook dat je het niet meteen persoonlijk neemt. Ik merk dat als ik het in het buitenland had over deze processen, met vroegtijdig testen met het publiek, dat – ik zeg het even in een sweeping statement – voor andere landen, andere mensen, andere culturen, dat dat vaak een drempel is. Want ja, ga je dan zomaar zeggen wat je denkt? Met de regisseur erbij? Oh my god.”
Steye: “Een voorbeeld. Voor de aanvraag voor mijn volgende VR-werk kreeg ik een raving review van het Stimuleringsfonds. Terwijl, wat ik had geschreven was eigenlijk een essay over een paar onderzoeksvragen. Daar kom ik in het buitenland echt helemaal niet verder mee. Want die willen gewoon mooie plaatjes hebben, van: zo gaat het eruitzien. Terwijl ik denk, eerst doe je het verhaal en de interactie. Als ik daar een prototype van hebt, dan ga ik kijken hoeveel processorsnelheid ik nog kan stoppen in hoe het eruitziet. Want dan weet ik dat het gaat werken. En dat is echt, dat krijg ik er gewoon in andere landen niet doorheen.”