World Wide Angle (NL) – 30 juni 2011
The Tree of Life
De Australische filmcriticus Adrian Martin schuimt het wereldwijde web af. Hij becommentarieert opvallende discussies en tendensen rond films en filmmakers, in webzines en blogs. Deze maand de 43ste aflevering: ‘Een samenzwering van idioten’.
Mensen leren zelden van de geschiedenis — zelfs of vooral niet van de recente geschiedenis. Het is een feit dat geen enkele Terrence Malick-film (behalve The Thin Red Line, 1998) ooit ontvangen is met lof of respect op het moment van verschijnen — en toch worden, decennia later, Badlands (1973) en Days of Heaven (1978) beschouwd als onaantastbare meesterwerken, terwijl The New World (2006) onderweg is om opnieuw gewaardeerd te worden (een proces dat volgens mijn berekening ongeveer zeven jaar duurt).
Maar denk je dat die historische les het legertje recensenten, commentatoren en bloggers zou kunnen weerhouden van het de grond in boren van The Tree of Life en de film te zien als meer bewijs voor het (ik citeer een ervaren criticus) ‘betreurenswaardige verval’ van z’n regisseur? Neen.
Ik kan mijn eigen leven als cinefiel beoordelen vanaf het moment dat ik op 14-jarige leeftijd Badlands zag tot het moment dat ik op mijn 51ste The Tree of Life zag. Wat ik me ervan herinner en wat ik koester, van die vijf films in die 37 jaar, is dit: de euforische sensatie, tijdens de eerste keer kijken, dat ik iets uitzonderlijks meemaakte, iets radicaal nieuws, iets wat onmogelijk helemaal te waarderen is met één keer kijken. Een gevoel van kritische nederigheid tegenover een echte kunstenaar-ontdekker.
Ik heb geprobeerd mezelf niet te deprimeren door te veel van die akelige, achterlijke dingen over The Tree of Life te lezen die al online staan. Richard Schickels felle aanval (www.truthdig.com/arts_culture/item/the_tree_of_life_terrence_malick_syndrome_strikes_again_20110529/) — misschien wel het meest aanstootgevende stuk Amerikaanse kritiek dat ik ooit gelezen heb — was voldoende om me de stekker van m’n internetverbinding eruit te laten trekken. Waarom moeten critici, op zo’n cruciaal moment, als lemmingen aan komen rennen om zich als een echte samenzwering van idioten te laten zien, de UFO (Unidentified Filmic Object) die ze aanspreken zo onwaardig?
Niet veel verstandigs of fijngevoeligs is er geschreven over The Tree of Life. Hopelijk komen de inzichten nog. In de tussentijd zijn we getuige van weer hetzelfde vermoeiende schouwspel, vrolijk uitgevoerd met gebalde vuisten: de film wordt afgeserveerd omdat ie er niet in slaagt de film te zijn die hij eigenlijk geen moment wil zijn. Hij wordt beoordeeld aan de hand van een vals criterium dat volkomen conventioneel en achterhaald is, volledig uit de pas met al het nieuwe dat er in de film, en in de hedendaagse cinema in het algemeen, gebeurt.
Dus wordt ons verteld dat het verhaal moeilijk te volgen is, dat de personages lastig te onderscheiden zijn, dat de montage en het camerawerk vormeloos zijn, dat er geen psychologie/persoonlijkheid in zit, dat de acteurs niets hebben om mee te werken, dat de kosmische fenomenen niets te maken hebben met de menselijke verhaallijn en dat het hele ding één groot New Age cliché is, dat de dinosaurussen kinderachtig zijn, dat de beelden van de creatie pretentieus zijn, dat de voice-overs banale boodschappen afleveren… En natuurlijk prediken veel critici (in hun fantasie zoveel grotere filmmakers dan Malick) hun eigen kleine fantasie van een strakke familiefilm, veertig minuten korter en zoveel duidelijker.
Hier zijn nog een paar geschiedenislessen. Ook bij Bressons Balthazar was het niet helemaal duidelijk wie al die personages waren die voorbijkwamen. Spiritueel-surrealistische droombeelden zijn er genoeg in Tarkovski’s films. Victor Erice begint ook met eenvoudige clichés over het gezinsleven, om ze dan beter te kunnen onderzoeken en vervormen. Agnès Varda heeft haar eigen New Age-achtige stranden. En The Tree of Life speelt beter in je hoofd als je er een dubbelvertoning met Claire Denis’ L’intrus van maakt, in plaats van met The Curious Case of Benjamin Button.
Adrian Martin | vertaling Ronald Rovers