War of the Worlds

Wie is die vijand, die niet van onze wereld komt?

Zo zou het kunnen gaan. Een Europese versie van het beroemde verhaal van H.G. Wells.

Misschien is het niet eerlijk om de tegenstelling hier aan te dikken. Want de één is een film en de ander een serie. Maar zelden is de tegenstelling tussen de Amerikaanse en de Europese verteltraditie zo duidelijk als met War of the Worlds.

Het verhaal dat H.G. Wells in 1897 voor het eerst publiceerde (aanvankelijk in serievorm trouwens), werd in 2005 in handen van Steven Spielberg een zeer verdienstelijke film met het soort hoofdrol waarvoor Tom Cruise op deze aarde is gezet. Maar de serie van inmiddels twee seizoenen die Canal Plus ervan heeft gemaakt en die nu op Disney+ te zien is, is de versie die Wells in het diepst van z’n gedachten bedoeld moet hebben.

Wat de serie zo goed maakt, is iets waarover Spielberg veel minder beschikte toen hij de film maakte: tijd en ruimte. Twee seizoenen lang liggen de lijken in eindeloos lege straten, precies op de plek waar ze waren toen de vijand toesloeg. Lange rijen auto’s voor stoplichten en op snelwegen. Lichamen die steeds verder ontbinden. Niet in horrorstijl trouwens: de gezichten van de doden zie je niet.

De serie volgt vier, vijf individuen en groepjes mensen verspreid over Engeland en Frankrijk, die elkaar gaandeweg vinden. In Londen is dat voornamelijk Bill Ward (Gabriel Byrne), een neurowetenschapper die al snel een cruciale ontdekking doet. In Frankrijk, tegen de Zwitserse grens, astrofysicus Catherine Durand (Léa Drucker), die voor het eerst het buitenaardse signaal ontdekt. Door hoe de serie schakelt tussen de ervaringen van de verschillende groepen, krijg je een gevoel bij de omvang van de catastrofe. Het doet iets met je, na dit afgelopen jaar, die uitgestorven straten. De stilte die niet meer weggaat.

Door wat de personages tegenkomen – situaties, filmpjes op telefoons, een foto op een koelkast in een leeg huis – en door wat ze elkaar vertellen, maakt de serie mensen van de doden en geeft achtergronden bij de personages. Spanning en drama zijn volledig in balans. Rare details, zoals de elektriciteit die het drie jaar na de aanval nog steeds doet, of de quantum-speak die later gebruikt wordt om te verklaren waar de buitenaardse aanval vandaan kwam, storen nauwelijks.

Wat ook mooi overtuigt, is de feitelijkheid van het doden. Na de eerste aanval zwerven bionische robothonden door de steden en de dorpen, om de overlevenden af te schieten. Van veraf met een schot, van dichtbij met een pin door de kop. Eigenlijk precies zoals wij dieren afslachten in de voedselindustrie. De nuchterheid waarmee dat gebeurt, maakt deze desolate wereld volkomen voorstelbaar.

Als liefhebber van sciencefiction heb ik zelden gedacht: zo zou het kunnen gaan. Maar inderdaad: zo zou het kunnen gaan. Zeker als je ontdekt wie die vijand is, die niet van onze wereld komt.