The Card Counter

Uitgetelde kaartspeler kent geen genade

The Card Counter

Een wezenloze pokerspeler, een getraumatiseerde Abu Ghraib-veteraan en een Wilhelm Tell met wroeging. Oscar Isaac acteert het allemaal minimalistisch, met maximaal effect. Zolang hij in beeld is—en dat is bijna de hele tijd—is The Card Counter eigenlijk al goed.

The Card Counter is geen pokerfilm. Gelukkig maar. Weinig filmclichés zijn ergerlijker dan de kunstmatig opgeklopte spanning van een pokerwedstrijd. Die spanning is bovendien vals, vindt regisseur Paul Schrader. Als deeltijd-pokeraar weet hij dat het spel vooral neerkomt op wachten, tellen en geluk hebben—zelden op echte intuïtie of kunde. Daarom slaat hij in The Card Counter de wedstrijden grotendeels over. Hij toont het wereldje eromheen. Een vreugdeloze wereld van identieke casino’s en hotellobby’s, de gekozen biotoop van de wezenloze pokerspeler en gewezen soldaat William Tell, gespeeld door Oscar Isaac.

En wat is Isaac toch goed. Hij speelt Tell extreem ingehouden, zijn gezicht vlak, zijn houding gesloten. Maar met minieme bewegingen vertelt zijn gezicht wat zijn personage denkt, voelt, verlangt en vreest. Het is prachtig om te zien. Schraders camera zoomt soms langzaam in op Isaacs gezicht, alsof Schrader zelf gebiologeerd raakt. Zolang Isaac in beeld is, is The Card Counter eigenlijk al goed—en dat is bijna de hele tijd.

Tegenspeler Tye Sheridan, als de zoon van een voormalige legermaat van Tell, is teleurstellend vlak, maar Isaacs een-tweetjes met Tiffany Haddish (tot nu toe vooral bekend van komische rollen) zijn hoogtepuntjes. Zij runt een stal van pokerspelers en wil hem overhalen voor grotere bedragen te spelen. Er ontstaat een aanstekelijke romantische spanning, maar er is ook een hoop uitleg over poker en het pokerwereldje die me eerlijk gezegd gestolen kan worden.

Abu Ghraib
Op Tells rug staat een tatoeage: ‘I trust my life to Providence / I trust my soul to Grace’. Die tekst kwam als songtekst al voor in Schraders Light Sleeper (1992), in een lied geschreven door Michael Been, vader van Robert Levon Been, de componist voor The Card Counter. Terwijl de hoofdrolspeler van Light Sleeper, Willem Dafoe, daar een moreel getergde asceet speelde die vergelijkbaar is met Isaac hier (en met de hoofdpersonen die scenarist Schrader schreef voor Scorseses Taxi Driver, 1976, zijn eigen First Reformed, 2017, en vele andere films). Dafoe duikt nu in The Card Counter op als Tells vroegere legerchef Gordo.

Je zou een heel artikel kunnen schrijven over zulke in-universe verbanden tussen Schraders films. Maar dan zou je wel, zoals de Engelsen zeggen, de olifant in de kamer negeren. Abu Ghraib.

Tell was soldaat in Abu Ghraib toen daar de martelingen plaatsvonden. Omdat hij op foto’s te zien was werd hij als een van de weinigen veroordeeld, terwijl hogergeplaatsten, onder wie Dafoe’s tirannieke Gordo maar ook politiek verantwoordelijken zoals Donald Rumsfeld (die kort voorbijflitst) buiten schot bleven. Schrader toont de traumatische flashbacks naar Abu Ghraib die Tells personage ’s nachts kwellen, vol martelingen, vernederingen en oorverdovende hardrockmuziek.

Die scènes ogen helaas een beetje fake, maar Schrader verdient lof dat hij deze ongemakkelijke waarheid terug onder de aandacht brengt. Het maakt van The Card Counter behalve een spirituele ook een politieke film, net zoals hij in First Reformed zijn vaste thema’s en archetypische hoofdpersoon combineerde met een waarschuwing voor de klimaatcrisis.

En dan nu de naam. William Tell. Dat verzint scenarist Schrader natuurlijk niet voor niets. Sterker nog: Tell heette eigenlijk, vertelt Isaacs personage zelf in de film, Tillich. Dat verwijst ongetwijfeld naar de protestants theoloog Paul Tillich, ook een getraumatiseerd oorlogsveteraan. Tillich schreef onder meer, in zijn bestseller The Courage to Be, over ‘de moed jezelf te accepteren, ondanks dat het onacceptabel is’.

Genade
Dat is in een notendop het morele probleem van Isaacs Tell. Hij heeft zijn straf uitgezeten, maar vindt niet dat hij genoeg gestraft is—los van hoe weinig anderen gestraft zijn. “Niets kan rechtvaardigen wat we daar gedaan hebben”, zegt hij. Het is en blijft onacceptabel. Onvergeeflijk. “De last van eerdere daden […] kan nooit verwijderd worden.” Zijn tatoeage vraagt ook niet om vergeving, maar om grace, genade. Maar dan moet hij, aldus theoloog Tillich, die genade wel accepteren. En dat kan hij niet. Het afwijzen van de naam Tillich kun je daarom zien als het opgeven van het idee van verlossing.

En William Tell? Dat is de Engelse schrijfwijze voor de Zwitserse nationale held Wilhelm Tell, vooral beroemd om het kruisboogschot door een appel op het hoofd van zijn zoontje. Dat deed ‘ie niet voor de lol, maar gedwongen door een tirannieke hogergeplaatste. Voor het arme zoontje was dat natuurlijk een marteling. En voor Wilhelm zelf een gruwelijk overschrijden van morele grenzen. Klinkt bekend? Ook Wilhelms reactie hierop kent een echo in The Card Counter, maar dat laat ik hier, als mogelijke spoiler, achterwege. Met poker heeft het in ieder geval weinig te maken. Gelukkig maar.