Swimming Home

Zwemmen in een zee van negatieve ruimte

Swimming Home

In zijn speelfilmdebuut toont Justin Anderson een sterk visueel signatuur, maar inhoudelijk blijft Swimming Home steken aan het oppervlak.

Een van mijn favoriete fotoboeken is Joel Meyerowitz’ Between the Dog and the Wolf. De eerste helft daarvan bestaat uit foto’s van zwembaden die vlakbij zee liggen. In de inleiding bij het boek schrijft Meyerowitz hoe in die beelden “het getemde en ongetemde, het bekende en onbekende” elkaar raken. Of eigenlijk juist niet raken.

Zo’n zwembad vlakbij zee is ook de hoofdlocatie in Justin Andersons speelfilmdebuut Swimming Home, een verfilming van de gelijknamige roman van Deborah Levy. Gedesillusioneerd dichter Joe (Christopher Abbott) en oorlogsfotograaf Isabel (Mackenzie Davis) strijken met hun tienerdochter neer in een villa aan de Griekse kust.

De tweede helft van Between the Dog and the Wolf bestaat uit foto’s gemaakt in het blauwe uur van de schemering. Het uur waarin, zo stelt Meyerowitz, onze zintuigen ons net een tikje in de steek laten. In het verdwijnende licht verliest alles zijn vaste contouren.

Vanaf het op zijn kop gezette openingsshot is Swimming Home een film vol vervreemdende composities. Zelden zien we personages in het centrum van een shot. Gezichten zwemmen in een zee van negatieve ruimte, kukelen bijna uit het kader, of worden volledig aan het zicht onttrokken door een handdoek of een autodeur.

Daar tegenover staat Kitti (Ariane Labed), een vrouw die bij aankomst van het gezin naakt in het zwembad drijft en ook de rest van de film zelden gekleed gaat. Extreem zichtbaar dus, maar ook onkenbaar. Haar naakte lichaam werkt als een canvas waarop de overige personages hun verlangens en onzekerheden projecteren.

Swimming Home speelt met wat we zien en wat niet, wat we weten en wat niet. Het is een film waarin personages constant elkaars en hun eigen motieven bevragen. Met als enige uitzondering de ongecompliceerde klusjesman Vito, die altijd gewoon doet wat hij doet (voornamelijk in een strak broekje de drilboor hanteren).

Seks is overal in Swimming Home, maar verhuld in metaforen en innuendo. Zoals alles in de film. Trauma’s, onderdrukte verlangens en een soort inherente neiging tot zelfsabotage worden geïmpliceerd, maar te weinig uitgediept. Anderson bouwt zijn film op de suggestie dat er van alles onder het oppervlak schuilgaat, maar de film zelf blijft te veel aan dat oppervlak steken.

Andersons achtergrond als schilder vertaalt zich in een sterke visuele stijl, vol referenties naar films als La piscine (1969) en Teorema (1968) en de zwembadschilderijen van David Hockney en Caroline Walker. De vervreemding die hij in dit stilistische universum oproept is aanvankelijk intrigerend, maar uiteindelijk meer plastisch dan zinnelijk.