La última primavera

Vrolijkheid tussen grof vuil

In Isabel Lamberti’s sterke speelfilmdebuut La última primavera speelt de Spaanse familie Gabarre Mendoza min of meer zichzelf. Ze wonen in een krottenwijk bij Madrid die elk moment kan worden afgebroken.

Op een stuk niemandsland springen twee kinderen vrolijk over afgedankte apparaten. Het lijkt een heerlijke vrije plek om te spelen, maar de realiteit is anders. Ze wonen in de illegale krottenwijk Cañada Real langs de buitenring van Madrid, die op het punt staat gesloopt te worden. Het land is verkocht aan een projectontwikkelaar en de straatarme bewoners kunnen elk moment te horen krijgen dat ze binnen twee dagen moeten verkassen. “Dan verliezen we onze alegría!”, roept een buurtbewoner uit. Want ondanks de ellende heerst er een groot saamhorigheidsgevoel in deze zelfgebouwde microkosmos waar men elkaar hard nodig heeft.

In Isabel Lamberti’s sterke speelfilmdebuut La última primavera speelt de Spaanse familie Gabarre Mendoza min of meer zichzelf. De sociaal-realistische film werd eerder dit jaar geselecteerd voor ACID, een onafhankelijk zijprogramma van het uiteindelijk geannuleerde filmfestival van Cannes, en ging vervolgens in wereldpremière op het filmfestival van San Sebastian. Lamberti schetst de mogelijke toekomst van de familie. Ze maakte van hun leven geen documentaire — hoewel het wel zo overkomt — maar een drama dat dicht bij de werkelijkheid blijft. Eerder volgde Lamberti twee broertjes uit de familie in haar afstudeerfilm aan de Nederlandse Filmacademie, Volando voy (2015).

Vader Gabarre Mendoza zit duidelijk in de ontkenningsfase: hij heeft net illegaal bijgebouwd aan zijn krot. En wanneer de elektriciteitskabels met een vonkenregen breken, wil hij collectief een generator kopen — een slechte investering voor een buurt die binnenkort niet meer bestaat, zegt een buurman nuchter. Met grote aandacht volgt Lamberti ook de andere familieleden. Zo krijgt een zoon verdachte telefoontjes van louche figuren in dure auto’s, die hem ronselen om onderdelen van gestolen auto’s te verstoppen. Liever zou hij kapper worden.

Vader worstelt ondertussen met de bureaucratie bij het aanvragen van een nieuwe woning, terwijl een bevriende familie al een nieuw appartement heeft gekregen. Wanneer zijn zoontje daar bij zijn oude maatje op bezoek gaat, vervelen ze zich stierlijk op de kale binnenplaats, die eruit ziet als een gevangenis. Hun lege blik ligt mijlenver van de vrolijkheid tussen het grofvuil, waar je tenminste vrij doorheen kon struinen. Natuurlijk verdienen deze mensen iets beters dan die krottenwijk, maar Lamberti laat knap en meelevend zien dat ze er toch verknocht aan waren. Het was een rotplek maar wel hún plek.