IL Y A LONGTEMPS QUE JE T’AIME

Bloed-verwantschap

In zijn regiedebuut il y a longtemps que je t’aime houdt de Franse schrijver en scenarist Philippe Claudel meer van gezichten dan van woorden. Hij kruipt in de poriën van twee zussen die op volwassen leeftijd weer helemaal overnieuw moeten leren wat bloedverwantschap is.

Twee vrouwen ontmoeten elkaar op een vliegveld. Twee zussen. Twee onbekenden. Ze ontmoeten elkaar alsof de één terugkomt van een lange reis en dat is misschien ook wel zo. Al is het, zo zal langzamerhand blijken, een noodgedwongen reis geweest, een reis naar binnen, want Juliette (Kristin Scott Thomas) heeft vijftien jaar in de gevangenis gezeten en dus ruimschoots de tijd gehad om alle gebieden in zichzelf te onderzoeken die misschien iets kunnen vertellen over het hoe en waarom. Maar het is nog steeds zo pijnlijk en schandelijk dat ze er zelfs met haar zus Leá (Elsa Zylberstein) niet over kan praten. Natuurlijk is er de afstand in tijd, en in leeftijd (Léa is veel jonger), maar het lijkt inmiddels wel alsof beide vrouwen uit compleet verschillende milieus afkomstig zijn. Léa, de geletterde, academische. Juliette met de argwanende blik van een outcast, nauwelijks goed genoeg voor een administratief baantje.

Familiepolitiek
In zijn regiedebuut il y a longtemps que je t’aime betoont schrijver en scenarist Philippe Claudel (1962, eerder leverde hij het script voor de verfilming van zijn roman Les âmes grises in 2005) zich een opmerkelijk zelfverzekerd filmer. Anders dan je zou verwachten gebruikt hij geen woord te veel, en laat hij in plaats daarvan het oog van de camera en de blikken van zijn acteurs het werk doen. De film ging eerder dit jaar in Berlijn in competitie in première, al moest Claudels familiepolitiek al snel het loodje leggen ten opzichte van de oliepolitiek van there will be blood, de politiepolitiek van tropa de elite en de Irak-politiek van standard operating procedure. Ik gebruik expres het woord ‘politiek’ voor wat ook zo makkelijk een familiedrama zou kunnen heten. Juliette en Leá hebben iets op te lossen, vragen van schuld en boete, maar zonder dat de regisseur er de nadruk oplegt, hebben de dilemma’s waar beide vrouwen mee te maken krijgen ongeveer de proporties van een Griekse tragedie. Juliette is een hedendaagse Medea en haar terugkeer in de familieschoot confronteert ieder op zich met vragen over moederschap en bloedverwantschap, maar ook met grotere, medisch-metafysische vragen over leven en dood die niet zo eenvoudig te beantwoorden zijn. De film maakt indruk door de kalme en impliciete manier waarop hij de gebeurtenissen naar een climax voert. Dat kort daarvoor een shot van Juliette met een beeld van een engel boven haar hoofd een al te christelijke symboliek van lijden en verlossing aan je opdringt, moeten we deze volwassen debutant maar even vergeven. De tranen hebben dan bovendien hun verzachtende werk al gedaan.

Dana Linssen