Hable con ella

Voorlezen uit de meubelcatalogus

Dromen over voorbije geluksmomenten

Voormalig provocateur en kitschmeester Pedro Almodóvar neemt in Hable con ella het liefdesverlies van zijn personages serieus. Een conventionele plot volstaat daarbij niet: Almodóvar beroept zich op Pina Bausch, tortelduifjes en microlijfjes.

Na het toneelmatige Todo sobre mi madre verklaart Pedro Almodóvar met de eerste minuten van Hable con ella opnieuw zijn liefde aan het theater. De film begint met een droevige dans van Pina Bausch op een al even droevige aria uit Purcells ‘The Fairy Queen’. We zien twee mannelijke toeschouwers, waarvan de één toekijkt hoe de ander tot tranen geroerd wordt. Later deelt de eerste zijn ervaring mee aan een comateuze jonge vrouw, terwijl hij haar wast en verzorgt. Stille shots van wassende handen, het roerloze lichaam van de vrouw dat voorzichtig aangekleed wordt, haast als in een ritueel. Beelden en klanken die een elegische sfeer oproepen.

Pas wanneer de film terugkeert naar de huilende man neemt de plot vaste vormen aan. Hable con ella gaat over twee mannen wier geliefden in coma liggen — Alicia als gevolg van een verkeersongeluk, toreador Lydia door een rampzalig verlopen stierengevecht. Dood en levend, onbereikbaar en aanwezig tegelijk. Voor Marco is de situatie een nachtmerrie, voor Benigno is met Alicia’s coma in feite een droom uitgekomen. Bewonderde hij haar als stalker in spe eerst enkel op afstand, nu is hij haar persoonlijke verpleger en kan hij eindelijk ‘met’ haar praten. Op onbewaakte momenten leest hij Alicia voor uit de meubelcatalogus, over de slaapkamer die ze samen zullen aanschaffen.

Sceptisch
De ooit op kitsch en provocatie beluste Almodóvar had vroeger van Benigno wellicht een semi-necrofiele viezerik gemaakt. In Hable con ella kiest hij voor een serene stijl, die het onmogelijk maakt liefde, lust en zelfopoffering van elkaar te scheiden wanneer Benigno met een washandje langs Alicia’s lichaam glijdt. Javier Cámara’s fijnzinnige acteerwerk geeft het personage de waardigheid die het verdient, en al met al voel je eerder compassie dan walging wanneer de zaak uit de hand loopt.

Benigno’s complexiteit maakt hem interessanter dan zijn lotgenoot Marco, een nuchtere man van de wereld (een onderkoelde rol van Dario Grandinetti). Volgens Marco is het zinloos om tegen zijn vriendin te praten terwijl ze klinisch dood is. Hij wekt haar enkel weer tot leven door te dromen over voorbije geluksmomenten. Met zijn sceptische houding vertegenwoordigt Marco een beduidend minder spirituele kijk op de liefde dan Benigno.

De vraag is dan wie van de twee bezongen wordt in het prachtige lied dat acteur-componist Caetano Veloso halverwege de film mag vertolken, over een man die in een tortelduif de geest van zijn gestorven geliefde ontdekt. Of wie het meest lijkt op de held van het heerlijke surrealistische filmpje in de stijl van de zwijgende cinema, een professor die steeds verder krimpt en zijn vrouw uiteindelijk met heel zijn microlijfje penetreert. Maar misschien wil Almodóvar met deze quasi-nonchalant gepresenteerde intermezzi verder geen commentaar op zijn personages geven. In elk geval wordt Hable con ella door deze zijwegen een verfrissend spontane film, waarin Pina Bausch, microlijfjes en comateuze vrouwen samen meer over liefdesverlies vertellen dan een simpel verhaal ooit zou kunnen.