Paweł Pawlikowski over Fatherland

‘Ik neig altijd naar under­statement en ellipsen’

Datum
04-11-2026
Verschenen in
Lees meer over

Paweł Pawlikowski. Foto: Aleksandra Modrzejewska-Mitan

Na Ida en Cold War heeft Paweł Pawlikowski met Fatherland zijn eigenzinnige stijl tot in de essentie verfijnd. “Als iets me raakt, is dat vaak omdat ik er een echo in zie van waar we nu zijn.”

Ontworteling is de kern van de films van Paweł Pawlikowski. Wat geen wonder is, gezien zijn eigen achtergrond.

Pawlikowski werd in 1957 geboren in Polen, destijds onder Sovjet-bewind, en verhuisde op zijn veertiende met zijn moeder naar Londen. Hij studeerde letteren en filosofie aan Oxford voor hij filmmaker werd en zijn naam vestigde met een reeks documentaires die een lyrische toon combineerden met een sterk gevoel voor ironie.

Er volgde een switch naar fictie, en zijn eerste twee speelfilms Last Resort (2000) en My Summer of Love (2004) wonnen beiden een BAFTA. Maar pas nadat zijn Britse echtgenote overleed en hij terugverhuisde naar Polen, kwam het echte succes. Te beginnen met Ida (2013), waarmee Pawlikowski een Oscar voor beste niet-Engelstalige film won.

Samen met opvolger Cold War (2018) en nu Fatherland vormt die film een opmerkelijk zelfverzekerde triptiek. Drie verhalen die op zichzelf staan, maar hun weerbarstige esthetiek en historische setting gemeen hebben. Drie verhalen over intieme tragedies, gefilterd door de autobiografie van de regisseur, en in contrastrijk zwart-wit verteld tegen de achtergrond van Europa tijdens de Koude Oorlog.

Fatherland. Still: Agata Grzybowska

In Fatherland draait het om schrijver Thomas Mann, die in 1949 met zijn dochter Erika een bezoek brengt aan de twee door het IJzeren Gordijn van elkaar gescheiden helften van Duitsland. “Ik werd gevraagd om een biografie van Mann te verfilmen, maar ik doe niet aan biopics”, legt Pawlikowski uit.

“Maar deze specifieke episode in zijn leven raakte me. In werkelijkheid was het een reis van zes weken die langs meerdere steden voerde, met zijn vrouw en een chauffeur. Maar ik heb het teruggebracht tot een roadmovie van vijf dagen met zijn dochter. In de vreemde driehoek tussen Mann, Erika en zijn zoon Klaus, die aan het begin van de film zichzelf om het leven brengt, zit iets dat mij persoonlijk raakt. En het speelt op een interessant historisch moment, als Europa na de vernietiging van zijn beschaving zoekende is naar wat ervoor in de plaats moet komen. Die combinatie, daar ben ik altijd naar op zoek.”

Dat kwam voor het eerst tot uiting in Ida. Voelde die film voor u destijds direct als een nieuwe stap? “Dat soort dingen verloopt organisch. Maar ik was wel op zoek naar iets nieuws, ja. Ik had een tijd geen films gemaakt, en toen maakte ik The Woman in the Fifth in Parijs, wat geen fijne ervaring was. Dus ik begon eraan te twijfelen of filmmaken het nog wel was voor me. Maar toen ik Ida draaide in Polen, met weinig budget, voelde dat als een bevrijding. Ik besloot om het simpel te houden, in statische shots, en me te richten op de spanning in elk afzonderlijk beeld. Ook in mijn eerdere werk neigde ik overigens al naar understatement en ellipsen. De documentaires waarmee ik mijn carrière begon zijn ook heel elliptisch verteld – het zijn films die, zoals Billy Wilder het ooit verwoordde, wel ‘twee plus twee’ zeggen, maar niet uitleggen waarom het antwoord vier is.”

Is die elliptische aanpak er al bij het schrijven, of ontstaat het pas tijdens de montage? “Het zit in het schrijven, in de preproductie, in het filmen, in de montage. Het is een constant proces van verfijnen, dingen toevoegen, en vooral dingen verwijderen. Voor het script waarmee je de financiers binnenhaalt, moet er meer uitgeschreven zijn – meer uitleg, meer bijvoeglijke naamwoorden, meer emoties. Daarna begint het schaven. Er zijn altijd de saaie scènes waarvan je denkt dat ze nodig zijn om het verhaal op gang te houden, maar meestal kunnen die eruit; het kan vaak simpeler, eleganter. Maar dat zie je pas als het in de montage bij elkaar komt. Ik draai zo veel mogelijk chronologisch, en tijdens het draaien monteer ik ook meteen een ruwe eerste versie, die vaak al dicht bij de uiteindelijke film ligt. Op een gegeven moment wordt de film die aan het groeien is in die montage, belangrijker dan het scenario dat we nog moeten draaien – omdat dat de film is die leeft en organisch voelt. Tegenwoordig houd ik altijd in mijn planning een paar draaidagen aan het eind vrij waar we alles wat gaandeweg is ontstaan of bedacht een plek kunnen geven.”

Waarvoor heeft u die extra dagen bij Fatherland gebruikt? “Een scène waarin Erika haar vader scheert en ze samen Armeense cognac drinken. Een scène waarin ze samen naar een rivier staren en aan Klaus denken. Een scène waarin Erika vanuit haar hotelkamer schreeuwt naar dronkenlappen die buiten nazi-liederen zingen. In feite schreeuwt ze omdat ze verdriet heeft over haar broer, maar ze is óók woedend op die fascisten. Het is allebei waar, en die ambiguïteit zoek ik graag op.”

Het klinkt alsof het vooral de momenten zijn waarop de emoties wat meer naar het oppervlak komen. “Dat is zo, ja. Alle emoties worden in Fatherland onderdrukt, al kun je door het subtiele spel van Hanns Zischler en Sandra Hüller heel veel opmaken uit kleine gezichtsuitdrukkingen. Sandra heeft daar echt een gave voor, dat spelen van binnenuit, het voelt volstrekt organisch. Maar goed: juist omdat de emoties zo onderdrukt worden, luisterde het heel nauw in de schaarse momenten dat ze wel naar boven komen.”

Naast die esthetiek maakte u met Ida ook de stap naar de geschiedenis. Wat trekt u daarin aan? “Ik maak films over wat me op dat moment bezighoudt. Maar ik heb ook altijd de neiging gehad om die persoonlijke interesses en emoties te combineren met een historische setting – en dan bedoel ik niet iets exotisch, maar iets dat een echo heeft in het hier en nu. In de films die ik in Engeland maakte, ontbrak die historische dimensie. In Engeland draait alles om sociologie en om klasse, en daar zit wel iets interessants, maar uiteindelijk word ik er niet warm van. Ik houd van het historische en het reiken naar iets transcendents.”

In Cannes zei u tijdens de persconferentie half-grappend dat u films maakt over het verleden omdat u niet weet wat u aan moet met het heden. Maar voor mij gaat Fatherland heel erg over nu. “Zeker, er zijn duidelijke resonanties. Als iets me raakt, is dat vaak omdat ik er een echo in zie van waar we nu zijn. Maar het is niet zo dat ik op zoek ben naar materiaal uit het verleden om een punt te maken over het heden, of om het over de actualiteit te hebben.”

U heeft het liever niet over de actualiteit? “Nu ja, daar ligt mijn kracht niet. Ik begrijp niet echt wat er aan de hand is in de wereld, en ik heb meestal het gevoel dat dingen complexer zijn dan de massamedia ons willen laten denken. Sommige dingen zijn niet ambigu, natuurlijk – als tweehonderdduizend soldaten zonder aanleiding een ander land binnenvallen, is duidelijk wat dat is. Maar er zijn heel veel dingen die wel complex en ambigu zijn, en als je doet alsof ze simpel zijn is dat leugenachtig. Het internet versterkt dat tot absurde hoogten – we moeten een mening hebben over alles, alles, alles. Ik denk vaak aan het personage dr. Rieux in Camus’ De pest, die als motto heeft: ‘L’essentiel est de bien faire son métier’, ‘de hoofdzaak is om je werk goed te doen’. Voor mij is het belangrijkste om films te maken over dingen die ik begrijp en die ik voel, en om dat zo goed mogelijk te doen. Niet om een boodschap over te brengen, maar om de condition humaine in al zijn complexiteit te tonen, zodat mensen daar vervolgens hun eigen gedachten over kunnen hebben.”


Fatherland draait vanaf 19 november 2026 in de bioscoop.