Fatherland
Stille reis door de storm
Fatherland. Still: Agata Grzybowska
Thomas Mann en dochter Erika Mann reizen in 1949 door het verwoeste Duitsland om een cultuur te vieren die in 1933 de nazi’s niet kon tegenhouden.
Je kunt een schrijver natuurlijk niet verwijten de wereld niet te begrijpen, maar Paweł Pawlikowski doet dat stiekem lekker toch in Fatherland. Daar zit ‘ie, in een hoekje van de grote boze kamer gekadreerd: Thomas Mann, boegbeeld van het Europese modernisme.
Fatherland is in gelijke mate een subliem vilein en een ontroerend portret van menselijk onvermogen. Sandra Hüller is zo glorieus perfect als zijn dochter Erika – in werkelijkheid acteur, journalist, schrijver en racecoureur – dat je dat onvermogen misschien een beetje kunt relativeren.
Fatherland is gebaseerd op de reis die Thomas en zijn vrouw Katia Mann in 1949 door Duitsland maakten vanuit de Verenigde Staten, het land waar de schrijver sinds 1939 in ballingschap leefde. In de film is het dus niet Katia maar hun dochter Erika die hem vergezelt. Dat is een van de twee fundamentele keuzes van Pawlikowski die de film groots maken. De andere is om de film klein te houden.
De film blijft klein in deze zin. Mann reisde naar Duitsland om twee keer de Goethe-prijs in ontvangst te nemen. Goethe was tweehonderd jaar eerder geboren en er moest iets gevierd worden. Stel je voor hoe zo’n festiviteit voelt na de totale destructie van het land en het besef dat je je als volk zo compleet hebt laten misleiden door kwaadaardige charlatans dat je de schaamte en de schuld tot je dood zult moeten dragen.
Pawlikowski laat de destructie niet zien. Hij houdt het klein. De schaamte voel je, als kijker, voor zover de Duitsers op dat moment de schaamte voelden. De camera blijft bij Thomas en Erika en de hopelijk recent aangetreden lokale coryfeeën die de prijs uitreiken. Twee keer dus: in het door westerse geallieerden bevrijde Frankfurt en ietsje later in augustus 1949 in het door de Russen bevrijde Weimar. Want lekker puh, zowel het kapitalisme als het communisme hadden gelijk, en allebei wilden ze vriendjes zijn met Thomas.
Om die festiviteiten heen zie je niks van het land. Tenminste, niet op het doek. Wel in je hoofd, waar al die beelden van het verwoeste Duitsland zitten die je door de jaren heen hebt verzameld. Maar niet alleen die beelden. Alles van Daniel Goldhagens boek Hitlers gewillige beulen (1996) tot Claude Lanzmanns Shoah (1985) speelt zich in je hoofd af, als een tweede film die Pawlikowski’s film in de greep houdt. Die, woedend en uit liefde, de film die je op het scherm ziet omhelst. Woedend omdat Thomas ergens blind en goedgelovig is in z’n mooie woorden. Uit liefde omdat die woorden nodig zijn.
Terwijl Thomas die Goethe-prijzen in ontvangst loopt te nemen, slaat Erika een ouwe nazi op z’n bek. Dat wil zeggen: haar ex-man, acteur en nazi-collaborateur Gustaf Gründgens. Ze staan op een cocktailparty, een gezellig ouderwets gebruik, waar Gustaf ongegeneerd z’n collaboratie staat te verdedigen. Erika zegt: “Er zijn genoeg dingen die je kunt doen zonder je ziel te verkopen”, en met vlakke hand slaat ze Gründgens in het gezicht. Even is er stilte. Dan bedenkt iedereen dat dit de tijd is waarin op nazi-wangen geslagen moet worden.
Thomas zal nooit op nazi-wangen slaan. Thomas heeft het in de speeches die hij uitspreekt terwijl hij de prijzen in ontvangst neemt – waarvan hij heus zelf ook wel weet hoe belachelijk en noodzakelijk die rituelen zijn – over unificatie en saamhorigheid. Over de identiteit van het land waaruit hij weg moest om te overleven. Over de grote ideeën die de mensheid verder moeten helpen. Zonder een woord daarover te zeggen, vormt Erika in de film de relativering van die hoogmoed. Zij is de toekomst. Maar ze weet het zo net nog niet, of de mensheid zich kan bevrijden van de extreme kleingeestigheid. Die dient zich zelfs alweer een beetje aan in de vorm van de nieuwe notabelen die Thomas voor kapitalisme dan wel communisme proberen te winnen.
Toch is Fatherland geen ideeënfilm. Het klinkt misschien paradoxaal maar juist in de onderkoeldheid van de film voel je de intensiteit van de emoties. Thomas Mann is een verweesd man. Hij voelt zich door z’n vaderland verraden, moet zich er opnieuw toe zien te verhouden. Die pijn torst hij in stilte met zich mee. Er is nog een andere pijn die vader en dochter in 1949 moesten verwerken. Ook over dat drama zijn ze terughoudend. Is de film terughoudend. Tot ze zich onverwacht in de ruïne van een kerk bevinden en op het enige bankje zitten dat nog heel is. Dan dringt het verlies door.