Patricio Guzmán (1941-2026)
Kroniekschrijver van de Chileense worsteling
Patricio Guzmán (rechts) op de set van La cordillera de los sueños
Op 15 september jl. overleed documentairemaker Patricio Guzmán Lozanes op 85-jarige leeftijd. Hoewel hij een groot deel van zijn leven in ballingschap buiten zijn geboorteland leefde, bleef de Chileense geschiedenis, en in het bijzonder de regering Allende en de coup van Pinochet, zijn belangrijkste inspiratiebron.
De laatste film die Patricio Guzmán met de wereld deelde, Mi país imaginario (2022), zou je kunnen bekijken als een samenvatting van een vijf decennia omspannend documentaire-oeuvre. Nog voor de begintitels vertelt Guzmán in de voice-over – met zijn karakteristiek zachtaardige stem – over een sleutelmoment in zijn filmleven.
“Toen ik een jonge filmmaker was, had ik het geluk dat Chris Marker naar Chili kwam. Hij was enthousiast over mijn eerste film, El primer año, over de eerste maanden van Salvador Allende’s regering. Hij nam de film mee naar Frankrijk en zorgde dat hij daar vertoond werd. […] Later, toen we werkten aan La batalla de Chile, gaf hij me een advies dat ik altijd heb onthouden: als je een film wilt maken over een brand, zorg dan dat je klaarstaat op de plaats waar de eerste vlam oplaait.”
Direct na het opdissen van deze anekdote – verplichte kost in elke Guzmán-biografie – laat de cineast zijn lyrisch-poëtische kant zien, een kant die hij later in zijn filmersloopbaan ontwikkelde. Stenen die door demonstranten gebruikt zijn om oproerpolitie te bekogelen verschijnen in close-up in beeld, uitgestald als juwelen op een fonkelend natte straat. Hij begroet de keien “als oude vrienden” en mijmert: “Het lijkt alsof het stenen heeft geregend.”
Behalve persoonlijk en poëtisch is Mi país imaginario vooral een film waarin Guzmán terugkeert naar zijn begindagen: activistische cinéma vérité waarin hij de worstelingen van het Chileense volk vastlegt. En ook al was de filmmaker er in oktober 2019 zelf niet bij om de eerste vlam vast te leggen, talloze jonge deelnemers aan de massale protesten tegen uitbuiting en corruptie legden de veenbrand vanaf de eerste vonk voor hem vast met hun telefooncamera’s.
Nomadisch en ontwricht
Patricio Guzmán werd in 1941 geboren in Santiago de Chile, in een familie die hij zelf omschreef als “erg nomadisch en erg ontwricht”. Na een zwervende jeugd waagde hij zich aan een theateropleiding, een studie geschiedenis en een studie filosofie. Gedwongen door geldgebrek werkte hij vier jaar in de reclamewereld om in 1966 te belanden op de Escuela Oficial de Cinematografía in Madrid. Na zijn afstuderen keerde hij in 1971 terug naar zijn vaderland, waar Salvador Allende geschiedenis schreef door als eerste socialistische leider na WOII te worden verkozen tot staatshoofd van een Latijns-Amerikaans land.
Allende’s partij Unidad Solidar stelde Guzmán aan als hoofd van de documentairetak van het staatsfilmbedrijf. In die rol trok hij het land in om – op 16mm, met asynchroon geluid en in zwart-wit – vast te leggen hoe mijnwerkers, land bewerkende vrouwen en fabrieksarbeiders zich enthousiast ontfermden over hun eigen bedrijven, in het kader van Allende’s nationaliseringspolitiek.
Het rauwe portret van een socialistisch experiment, El primer año (1972), trok de aandacht van de Franse cineast Chris Marker, die toen al eeuwige filmroem had verworven als maker van het postapocalyptische fotofilm-essay La jetée (1962). Nadat Marker een Franstalige versie van El primer año aan verschillende Europese filmprijzen hielp, speelde hij een cruciale rol bij de totstandkoming van Guzmans (eerste) magnum opus: La batalla de Chile.
Brute coup
Guzmáns plan om de tussentijdse verkiezingen van 1973 te documenteren liep stuk op economische tegenslag: door structurele tegenwerking van de Chileense bezittende klasse, en aangewakkerd door handelsbeperkingen door het Amerikaanse Nixon-regime, kon de cineast niet aan de benodigde film- en geluidsrollen komen. Marker zorgde ervoor dat het materiaal – genoeg voor veertien uur film – alsnog Chili bereikte, zodat Guzman niet alleen het moeizame derde jaar van Allendes bestuur in beeld kon brengen maar ook – onverwacht en onbedoeld – de brute coup door generaal Augusto Pinochet op 11 september 1973.
Terwijl de filmmaker direct na de staatsgreep enkele weken werd vastgehouden door de extreemrechtse junta, werden de filmblikken met Zweedse diplomatieke post het land uit gesmokkeld. Nadat ook de filmmaker veilig het land had verlaten vestigde hij zich in Cuba, waar hij jaren werkte aan de montage van La batalla de Chile.
In drie delen – uitgebracht in 1975, 1976 en 1979 – toonde La batalla de Chile achtereenvolgens de sabotage van Allende’s plannen door de Chileense elite en de vestiging van Pinochets junta, om in het slotdeel weer terug te keren naar de arbeiders die Allende’s experiment droegen. De rauwe en indringende trilogie sleepte meerdere festivalprijzen in de wacht en vestigde een reputatie als een mijlpaal in de geschiedenis van de politieke documentaire.
Na zes jaar op Cuba vestigde Guzmán zich in Madrid, waar hij als Chileense balling films bleef maken, waaronder een speelfilm. Ook toen in 1990 een einde kwam aan de dictatuur koos hij ervoor om in Europa te blijven. De geschiedenis van Chili – in het bijzonder de gebeurtenissen rond 11 september 1973 – bleef zijn belangrijkste inspiratiebron. Aan het eind van de jaren negentig ruilde hij zijn activistische stijl in voor een meer beschouwende toon. In Chile, la memoria obstinada (1997), La cas Pinochet (2001) en Salavador Allende (2004) probeerde hij de herinnering levend te houden aan een periode die zijn landgenoten volgens hem veel te makkelijk waren vergeten.
Een heldere voice-over
Rond zijn zeventigste levensjaar ontpopte Guzmán zich als een filmpoëet, die de puur politieke documentaire achter zich liet om grotere verbanden te zoeken.
In Nostalgia de la luz (2010) verbond hij de zoektocht van astronomen in de gortdroge Atacama-woestijn met de zoektocht van moeders die in datzelfde zand groeven naar de botten van hun door het regime vermoorde kinderen. In El botón de nácar (2015) trok hij de lijn door naar de oceanen en de genocide op de inheemse bevolking. De cyclus sloot in 2019 af met La Cordillera de los sueños, waarin het onwrikbare Andes-gebergte fungeert als zwijgende getuige van de Chileense identiteit en het nationale lijden.
Guzmáns taal werd in deze periode filosofischer en melancholischer. Hierop reflecterend in een interview met Filmkrant: “Mijn plezier ligt meer en meer in het maken van persoonlijke documentaires, met een heldere voice-over, mijn eigen stem, die een realiteit beschrijft vanuit mijn eigen waarneming. Mijn films kwamen natuurlijk altijd al vanuit mijn perspectief, maar wanneer je een film maakt over Pinochet of Allende, sta je altijd in dienst van een bestaand idee. Die noodzaak voel ik niet meer.”