Billie Eilish – Hit Me Hard and Soft: The Tour
Meer dimensies dan het concert
Billie Eilish – Hit Me Hard and Soft: The Tour
Met James Cameron achter de camera pakt Billie Eilish’ concertfilm in 3D flink uit. Op technisch vlak is het een baanbrekende registratie die de meerwaarde van de concertfilm in de bioscoop bewijst. Maar het genre opnieuw uitvinden doet Hit Me Hard and Soft niet.
“Zij veranderde de muziek. Hij veranderde film. Samen zullen ze de concertervaring opnieuw uitvinden”, klinkt het enthousiast in de reclame die er wordt gemaakt voor Billie Eilish – Hit Me Hard and Soft: The Tour. Dat klinkt veelbelovend, voor een film die minstens zo geïnteresseerd is in het maakproces van ‘coregisseur’ James Cameron zelf, als in het concert van popster Billie Eilish in een ramvolle Britse arena.
De regisseur van spektakelfilms als The Terminator (1984), Titanic (1997) en de Avatar-reeks legde het slotconcert van haar tournee met zeventien camera’s vast in 3D. Zien hoe Cameron zijn geavanceerde instrumentarium in een concertarena inzet, is indrukwekkend. Het maakt van Hit Me Hard and Soft een vreemde hybride, waarin muziek en cameralogistiek hand in hand gaan.
De tournee rondom het gelijknamige album uit 2024 was op zichzelf al een technisch hoogstandje. Bij aanvang van het concert verschijnt Eilish in een kubus die helemaal uit led-schermen bestaat, van waaruit ze de arena in wordt gelanceerd. Vervolgens blijkt ook de vloer van het podium een scherm, met beelden die op de muziek meebewegen en livebeelden die haar optreden vanuit de vloer aan het publiek tonen. Bij een show van dit formaat is het belangrijk om alle fors betalende fans een gevoel van nabijheid te geven: alle schermen en camera’s werken samen om zelfs het publiek in de uithoeken van het stadion het gevoel te geven dat ze dicht bij hun idool zijn.
Naar die sensatie zoekt Cameron ook met zijn regie. Een minicamera gaat met Eilish mee in de kubus. De 3D-camera’s waarmee Cameron zijn Avatar-films draaide, registreren hier in close-up elke beweging. In de indrukwekkendste sequentie zit Eilish zelf aan de knoppen: met een klein cameraatje in de hand maakt ze selfievideo’s terwijl ze zingt. Dichter op de huid van een artiest van haar kaliber kom je niet.
Alternative content
Vergeleken met meer rechtlijnige concertregistraties als Taylor Swift: The Eras Tour (2023) en Justin Bieber: Never Say Never (2011) is Camerons aanpak een stuk ambitieuzer. Door te laten zien hoe een concert van dit formaat in elkaar steekt, lijkt zijn film soms een masterclass van een illusionist die onthult hoe zijn trucs in elkaar zitten. Diep gaan de obligate interviews die hij met Eilish achter de schermen doet niet; ze benadrukken vooral dat de film het concert in zijn totaliteit wil vangen.
In zijn boek Pandora’s Digital Box herinnert filmwetenschapper David Bordwell zich hoe populaire concertregistraties een kwart eeuw geleden een argument waren om filmtheaters ervan te overtuigen over te stappen op digitale projectoren. Bordwell noemt ze alternative content: theaterregistraties, rondleidingen door musea, sportuitzendingen, livestreams van de Oscars – populaire beeldcultuur die ook in Nederlandse filmtheaters volle zalen trekt. Sterker nog: die alternative content heeft een nieuw publiek aangetrokken dat normaal gesproken amper naar de bioscoop gaat.
Stiekem is Hit Me Hard and Soft ook Camerons eigen salespitch. Hij blijft volhouden, niet onterecht, dat de inmiddels weer wat uit de mode geraakte 3D-projectie nog altijd van waarde is. De vlijmscherpe resolutie van deze concertregistratie is Camerons grootste wapenfeit, waarmee hij benadrukt dat zulke 3D-technologie niet alleen voor spektakelfilms als Avatar is weggelegd. In die zin ligt Hit Me Hard and Soft in het verlengde van zijn documentaire Ghosts of the Abyss, waarmee Cameron in 2003 aan de wereld liet zien dat zijn 3D-camera’s grandioze beelden op de grootste Imax-schermen konden toveren.
Direct cinema
De geschiedenis van de concertfilm is nauw verbonden met de technologische ontwikkelingen die cinema de afgelopen 140 jaar onderging. Korte registraties van optredens van artiesten werden in de jaren twintig en dertig ingezet om het evangelie van de geluidsfilm te verkondigen. De echte geboorte van het genre volgde pas decennia later, met de intrede van handzame 16mm-camera’s die aan het eind van de jaren vijftig geluid en beeld simultaan konden vastleggen. Bert Sterns Jazz on a Summer’s Day (1960), waarvoor vijf camera’s perfect synchroon liepen met de door Columbia Records geleverde geluidsopnamen van prominente jazzartiesten, was een vroege mijlpaal.
De vaandeldragers van de Amerikaanse Direct Cinema omarmden die technologie en begonnen hun carrière in een tijdperk waarin popmuziek was uitgegroeid tot een dominant cultureel product. D.A. Pennebaker gebruikte de flexibele 16mm-camera in Don’t Look Back (1967) om Bob Dylan op de voet te volgen tijdens een tournee door Engeland. Zijn experimentele samensmelting van concert en fly on the wall-documentaire was niet alleen bedoeld om de populaire troubadour vast te leggen, maar ook om te reflecteren op de protestgeneratie waarvan de toen al omstreden songwriter deel uitmaakte. Opvolger Monterey Pop (1968) staat naast Michael Wadleighs monumentale Woodstock (1970) te boek als ultieme tijdcapsule van de hippiegeneratie. Door een haast etnografische fascinatie voor de tegencultuur op deze festivals verruimden ze het idee van de traditionele concertfilm: ze vingen de tijdgeest en schreven daarmee de geschiedenis van een historisch cultureel moment.
Unieke dramaturgie
Het creatieve hoogtepunt van de concertfilm arriveerde in 1984, toen regisseur Jonathan Demme en Talking Heads-voorman David Byrne de handen ineensloegen voor Stop Making Sense – nog altijd beschouwd als de beste concertfilm ooit gemaakt. Byrne had de show van zijn band vormgegeven als een theatrale ervaring. Puttend uit het Japanse kabuki-theater en het gestileerde podiumwerk van Robert Wilson, ging hij voor een aankleding die doelbewust het vervreemdingseffect opzocht. Demme, die na de frustrerende totstandkoming van Swing Shift (1984) even klaar was met de Hollywood-machinerie, vertaalde Byrne’s theaterconcept naar de bioscoop. Het is een concertfilm die klein begint en groots eindigt: Byrne verschijnt alleen op het podium met enkel een draagbare cassetterecorder en gitaar voor het lege decor en bouwt nummer voor nummer op totdat de volledige band de grootse slotakkoorden inzet. De dramaturgie was van Byrne en Demme samen.
Drie decennia later maakte Spike Lee een vervolg door David Byrne’s minstens even ambitieuze Broadway-show American Utopia (2020) te filmen. Maar zo’n creatieve synergie tussen muzikant en regisseur is tegenwoordig minder vanzelfsprekend. Omdat alle media in het digitale tijdperk naadloos in elkaar overgaan, is de noodzaak om echte cinema van een popconcert te maken sterk afgenomen. De spectaculaire Super Bowl-show van Bad Bunny is bijvoorbeeld extreem theatraal van opzet, maar heeft geen filmzaal meer nodig om zijn publiek online te bereiken.
Camerons gebruik van 3D-technologie fungeert hier dus als voornaamste lokkertje om op de meerwaarde van het bioscoopscherm te wijzen. In die zin zit zijn bijdrage aan Eilish’ concertfilm vooral in vakmanschap en technische prestaties. Artistiek blijft de film echter hangen in wat inmiddels een sterk gecodificeerd format is. Maar wie weet zorgt deze imposante demo van Camerons kunnen er alsnog voor dat een nieuwe lichting filmmakers wél een radicale draai aan het ietwat sleetse genre weet te geven.
Billie Eilish – Hit Me Hard and Soft: The Tour draait vanaf 7 mei 2026 in de bioscoop.