Op ooghoogte #21

De sekse­loze blik

I Know Where I’m Going

Mark Cousins (The Story of Film en A Story of Children and Film) schrijft maandelijks over films en beeldassociaties. Deze maand: de ‘female gaze’.

Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar soms word ik een beetje moe van al die slimme filmmensen die het over de ‘male gaze’ en de ‘female gaze’ hebben. Het was geweldig belangrijk toen feministische filmcritici aantoonden dat het merendeel van de Hollywoodfilms leek te draaien om vrouwelijke schoonheid en beschikbaarheid, zoals gezien door mannen. Dit legde het inherente seksisme van de cinema bloot. En ik was ook helemaal gegrepen toen mensen zoals Claire Denis films maakten die dit op hun kop zetten, zoals Beau travail (1999), die zonder twijfel gaat over vrouwen die kijken — naar mannen, naar gevechten, naar Afrika, naar beweging etc. Als je Beau travail nog nooit gezien hebt: doe jezelf een plezier, het is een lust voor het oog.
Mijn probleem echter is dat kijken in werkelijkheid gaat over jezelf verliezen, en niet over je aan je sekse of gender conformeren. Als ik naar een stad of een film kijk, dan wil ik vergeten wie ik ben, wat ik ben, en kijken hoe anderen zien, hoe niemand kijkt. Ik voel me erg mannelijk als ik naar Kim Novak kijk in Alfred Hitchcocks Vertigo (1958) ze is heel begeerlijk en bijna transgressief, aangezien in die film de ‘kijker’ naar bed wil met de ‘bekekene’, ondanks het feit dat hij denkt dat ze eigenlijk dood is. Maar het is nog leuker om die grensoverschrijding nog een stapje verder voort te zetten. Dus prefereer ik de vrouwelijke blik boven de mannelijke blik. De laatste slorpt me op en reduceert me tot mijn verlangen. De eerste staat me toe om in iemand anders’ schoenen te stappen. Dat bevestigt voor mij dat kijken, op z’n mythische ‘best’, geen gender heeft (ik weet dat velen het niet met me eens zullen zijn), of op z’n minst bipolair is. Het is aantrekken en afstoten, luisteren en spreken, dominant en onderdanig, daar en hier. Tegelijkertijd.
Ik wilde deze overpeinzingen eigenlijk illustreren met een still uit Beau travail, maar realiseerde me dat dat te voor de hand liggend zou zijn. Dus heb ik in plaats daarvan gekozen voor een foto van Wendy Hiller in de Powell en Pressburger-film I Know Where I’m Going (1945). We kijken naar haar gezicht, lieflijk, goed belicht en met weinig scherptediepte. Het beeld moedigt ons aan, of staat ons op z’n minst toe, om naar haar te verlangen. Maar ze kijkt niet naar ons — natuurlijk niet. Haar ogen zijn gesloten en daardoor is ze zich niet van ons bewust. Ze kijkt naar binnen.
Als ik naar dit beeld kijk, dan stel ik me voor dat ik haar ben, dat ik in haar hoofd zit, zie wat zij ziet (in de film stelt ze zich het leven met haar toekomstige echtgenoot voor). Is dit beeld dan een voorbeeld van de mannelijke of van de vrouwelijke blik? Allebei natuurlijk. En, zo waag ik te beweren, en beter nog, geen van beiden.

Mark Cousins | twitter @markcousinsfilm

 

Geschreven door Mark Cousins