Motor City
Meer spierbal dan brein
Motor City. Foto: Matt Infante
Actie-noir die opzichtig naar Sin City-fans lonkt, maar met zijn dialoogvrije testosteron-behandeling hooguit op de lachspieren werkt.
In auto-industriestad Detroit heeft een fabrieksarbeider anno 1977 nog maar net zijn meisje ten huwelijk gevraagd, als een politie-eenheid binnenvalt, hem in de boeien slaat en hij vervolgens levenslang achter de tralies belandt voor een misdaad die hij niet beging. Het blijkt een opzetje van de ex van zijn vriendin Sophie, dat maar om één ding vraagt: wraak.
Behalve bakkebaarden en een vierkante kaaklijn beschikt hoofdpersonage John Miller – net als de film meer spierbal dan brein – over blonde leeuwenmanen en een bierpul op zijn XXL-T-shirt. Hij wordt vertolkt door de extreem opgeblazen spierbonk Alan Ritchson, die zich eerder voor zijn rol van ‘reus’ Jack Reacher (in actieserie Reacher) extra testosteron liet inspuiten.
Gezien de filmtitel, de naam van het hoofdpersonage en de filmposter die als een striptekening oogt, lonken de makers opzichtig naar de genrefans van culthit Sin City (2005) van Robert Rodriguez en striptekenaar/coregisseur Frank Miller. Net als die extreem gestileerde wraak-neo-noir wilde Motor City-regisseur Potsy Ponciroli visueel uitpakken, met een opvallende inhoudelijke keuze: op drie zinnen na wordt er in deze actiefilm niet gesproken.
Het moet gezegd: de nachtelijke steegjes in Motor City – dat in tegenstelling tot het hoofdzakelijk zwart-witte Sin City in kleur is gedraaid – zijn mooi uitgelicht. En de leren jasjes, oldtimers en retro-gadgets ogen cool. Maar het gebrek aan gesprek weten de makers maar niet op een creatieve manier te ondervangen. Gevechten en achtervolgingen spreken nog wel voor zich. Maar dat Miller niet eens vloekt als zijn auto is gestolen, doet al gekunsteld aan.
Zo wordt het ronduit amusant om te zien hoe de acteurs zich kwijten van hun opdracht om scènes te spelen zonder hun mond open te doen. Een politieverhoor blijft bij een handgebaar dat uitnodigt om te gaan zitten. Daarna vlucht de montage, zoals wel vaker, naar een camerashot vanachter een raam. Soms wordt er ter compensatie een omgevingsgeluid naar voren gehaald. Ook dat pakt niet altijd even elegant uit. Wanneer de ex van Sophie opeens opduikt in het eethuis waar ze werkt, volgt een mime-scène waarin hij haar luidruchtig koffie inschenkt: subtiel als een urinoir.
Millers trouwring dient tot vervelens toe als zwijgend leidmotief. Bij droefheid valt regen. De opgewekte seventies-hits op de soundtrack klinken misplaatst. De tijd dat een niks-aan-de-hand retro-liedje bij grafisch geweld origineel was (Tarantino’s Reservoir Dogs stamt uit 1992) is dik drie decennia geleden. De meest vindingrijke scène is die waarin Miller en zijn rivaal met twee shotguns en een groot gekarteld mes het interieur van een lift met hun bloed herdecoreren. Deze malle mime-noir draait niet om wie het laatste woord heeft, maar om wie de laatste klap uitdeelt.