Het hart van Amsterdam
Gerijpt in een meurende gracht
Het hart van Amsterdam
De hele Mokumse penoze komt langs in Het hart van Amsterdam. Het levert een rijk portret op van een vergane tijd.
In een crowdfunding-filmpje staan twee bejaarde regisseurs voor een bruin café op een druilerige Zeedijk.
De films van Arnold-Jan Scheer en Roy Dames vallen vaak buiten de reguliere financieringskanalen. Toen de Kick Out Zwarte Piet-acties begonnen in 2013, had Scheer net het plan voor Wild geraas (2016) ingediend, waarin hij de wortels van Zwarte Piet niet in de slavernij vindt, maar in heidense Europese religies. Daar wilde geen omroep zijn vingers aan branden.
Het hart van Amsterdam krijgt gelukkig wel een reguliere release. Ruim veertig jaar geleden begon Scheer samen met Dames (Foute vrienden, 2010; Afrikaanse bruid, 2019) de Amsterdamse onderwereld te portretteren. Dat Het hart van Amsterdam decennia heeft liggen rijpen in de meurende gracht van de Oudezijds Achterburgwal maakt de film gelaagd en veelzijdig.
Scheer leert de penoze kennen in de vechtclub waar seksclubbaas Zwarte Joop de beveiligers voor zijn Casa Rosso vandaan plukt. Zwarte Joop deelt samen met gok- en hasjkoning Frits van de Wereld in de jaren tachtig de lakens uit op de Wallen.
De derde hoofdpersoon is Amsterdam zelf en dat is onherkenbaar volks. Iedereen heeft er een bijnaam en het is er smerig, maar hartelijk: gevechten lossen we op met vuisten, hoeren zijn sociaal werkers en criminaliteit is nog gezellig. De bonte personages zijn openhartig naar Scheer en Dames en als ze te diep doorvragen, kunnen ze een zeikerige mop terugverwachten. “Hoe ik in de gevangenis terecht ben gekomen? Ik heb m’n schoonmoeder opgevreten en mijn broer in de blender gestopt.”
Impliciet schemert een donkerder beeld door. Want als we over die vuisten horen, zien we een muur vol geweren.
Ontroerend zijn de recenter geschoten beelden. Kleinzoon Frits jr. doet kritische ontboezemingen over zijn opa. Rob van Delden, een aangenomen zoon van Zwarte Joop, uit zich over de roofbouw die zijn stiefvader op hem pleegde. Hij deed het voor diens pornoshows “twintig keer op een avond”. Ook de bejaarde eeneiige tweeling, die in de prostitutie zat, komt met een trieste motivatie: na de Tweede Wereldoorlog was je “als Joodse vrouw wel hard gemaakt”. Zo overstijgt de film het tijdsdocument.
Volgens de personages uit de jaren tachtig draaide heroïne de oude mores op de Wallen de nek om, met de komst van junks en harde criminaliteit. Karin Bloemen zong: “Amsterdam ik heb op je gescholden/Op alle junks die langs de Wallen tolden” (‘Amsterdam gaat dood’, 2014). Haar conclusie: Amsterdam is te aangeharkt geworden. Massatoerisme, voegt Het hart van Amsterdam daaraan toe, werd de doodssteek voor het oude Amsterdam.