Daratt

Buiten vizieren is het beter kijken

Daratt

Onder het stof van woede en vergelding vindt de zestienjarige Atim een man die moet blijven leven.

Na veertig jaar burgeroorlog wil de regering van Tsjaad alle oorlogsmisdadigers amnestie verlenen. Belangrijkste doel is de geweldspiraal te doorbreken. Scenarist, regisseur en producent Mahamat-Saleh Haroun – afkomstig uit Tsjaad – wijst op het belang van deze beslissing in zijn wonderschone derde film Daratt.

Natuurlijk slaat het besluit van de regering om oorlogsmisdaden kwijt te schelden bij de bevolking in als een bom. Mensen die als slachtoffers uit de strijd zijn gekomen, doordat ze een been of een oog hebben verloren, of hun geliefden, zijn nu eenmaal eerder geneigd tot wraak dan tot vergeving. Als de zestienjarige Atim door zijn grootvader op pad wordt gestuurd om zijn vermoorde vader te wreken – nota bene nadat ze samen via de radio het nieuws van de amnestie hebben vernomen – zet hij zijn grimmigste gezicht op.

Pistool
Met een geladen pistool in zijn binnenzak arriveert Atim in N’Djamena, de hoofdstad van Tsjaad. En alleen al de manier waarop Mahamat-Saleh Haroun die kleine stoffige stad als onderdeel van dat uitgestrekte West-Afrika schildert, is ongeëvenaard. In een paar misleidend simpele strepen schetst hij een oord waar kerk en leger (proberen om) de dienst uit (te) maken en waar je voor wildplassen neergeknuppeld kan worden door verveelde mannen in camouflagepakken. Haroun toont het geweld in de straat en laat op de achtergrond de oproep tot gebed horen. In het ene kostuum wordt geslagen, in het andere kostuum wordt gebeden.

De moordenaar, Nassara, is snel gevonden, maar de trekker is niet zo snel overgehaald. Nassara is tegenwoordig bakker. Hij is getrouwd. En zijn mooie, jonge vrouw is hoogzwanger. Deze man heeft het een en ander op zijn kerfstok, maar hij doet duidelijk zijn best om goed te leven. “Af en toe kan ik me niet beheersen”, zegt de man. Hij is zich bewust van zijn eigen destructieve krachten en Haroun laat zien dat hij daar zelf ook onder lijdt, en dat hij zijn best doet om niet uit de bocht te vliegen, en als hij dat per ongeluk wel doet, dat hij daar dan spijt van heeft, en dat ook laat zien.

Christus-rol
De eerste keer dat Atim hem in zijn vizier krijgt, deelt Nassara stukken brood uit: een moordenaar in de Christus-rol. De jongen raakt ongewild gefascineerd door deze man en treedt zelfs bij hem in dienst als bakkersknecht. Haroun weet hiermee de psychologische spanning op te voeren. Aan de ene kant is er die vreemde, maar ook klassieke aantrekkingskracht tussen misdadiger en slachtoffer. Haroun laat de twee mannen bijna woordloos om elkaar heen draaien, waardoor we uit blikken en gebaren en houdingen gaan opmaken wat er van binnen, in die twee hoofden, allemaal gaande is. Het is het soort fysieke cinema dat je ook vaak in Aziatische landen tegenkomt, denk aan de vrijwel woordloze wondertjes van de Taiwanese regisseur Tsai Ming-liang of de Zuid-Koreaanse filmmaker Kim Ki-duk.

Ondertussen laat Haroun zien dat er veel innerlijke kracht nodig is om niet gewelddadig te zijn. In een land dat zo lang – bijna een halve eeuw – geteisterd is door gewelduitbarstingen is dat besef van levensbelang.