28 Years Later: The Bone Temple
goede manieren in een wereld die alleen nog maar gromt en krijst
28 Years Later: The Bone Temple
Ralph Fiennes en zijn bottentempel vormen het epicentrum van dit vervolg op 28 Years Later, dat iets teveel voelt als een overgangsfilm.
28 Years Later was misschien wel dé verrassing van filmjaar 2025. Al bijna twee decennia geleden was er sprake van een derde film, na 28 Days Later (2002) en 28 Weeks Later (2007), maar waar regisseur Danny Boyle en scenarist Alex Garland al die jaren later mee kwamen voelde niet als een nostalgisch teruggrijpen om wat geweest was, maar was fris, dynamisch en punk.
28 Years Later: The Bone Temple begint waar die film eindigde. Met de jonge hoofdpersoon Spike in handen van Jimmy Crystal (een charismatische Jack O’Connell) en diens in platinablonde pruiken en velours joggingpakken gestoken satanscult die zich spiegelen aan de Teletubbies (verbasterd naar Teletummies) en de duivel en grossieren in gruwelijke eufemismen en rituelen.
Maar zoals de titel al duidelijk maakt ligt een groot deel van de focus ook op die andere memorabele figuur uit 28 Years Later: dr. Ian Kelson en zijn uit botten en schedels opgetrokken eerbetoon aan de doden. Kelson die zich insmeert met jodium en geïnfecteerden niet vermoordt maar tijdelijk uitschakelt met morfinepijlen. Die met zijn goede manieren en eloquentie een verstekeling is in een wereld die alleen nog maar gromt en krijst.
Nia DaCosta (Candyman, 2021; Hedda, 2025) kiest er in haar regie wijselijk voor om niet de kinetische chaos van Danny Boyle te imiteren. Het maakt dat deze vervolgfilm niet dezelfde viscerale energie heeft als z’n voorganger, ook al gaat DaCosta in het eerste pakweg kwartier wel even los met slagaderlijke bloedingen en hersenetende zombies. Maar over het geheel bezien is de stijl minder punk, wat misschien ook deels komt omdat de soundtrack volledig wordt bepaald door de platencollectie van Kelson, met daarin een hoop Duran Duran.
The Bone Temple lijdt enigszins onder zijn positie als tweede film in een (beoogde) trilogie. Een overgangsfilm die niet de verrassingsfactor heeft van de eerste film en niet naar een climax kan werken zoals de slotfilm dat kan doen. Het is een film die een pas op de plaats maakt. Waar Boyle uitbouwde – qua locaties, maar ook bijvoorbeeld met varianten geïnfecteerden, zoals slijmerige figuren die traag door de bossen kropen – daar blijft deze film op dezelfde paar locaties. Wel terugkerend: de fors geschapen Alfa’s, voor wie het virus als steroïden werkt en waarvan Kelson langzaam overtuigd raakt dat er misschien nog ergens een mens schuilt in dat monster.
Zoals de vorige film een zwenk maakte van horror naar een reflectie op rouw, zo weeft scenarist Alex Garland door deze film een thematische draad over religie, vooral in de heerlijk uitpakkende confrontatie tussen de bende van Jimmy en de atheïstische Kelson. Zo zijn er meer sterke momenten. Toch voelt deze film vooral, zeker ook dankzij de epiloog, als een opmaat naar het aangekondigde derde deel, dat weer geregisseerd zal worden door Boyle.