Webfilm: Michaël R. Roskam
CARLO
Het regent verrassingen in de kortfilms van Michaël R. Roskam, die het zoveelste bewijs vormt dat Vlaamse filmers beter zijn.
Opgefokte jonge mannen met een te hoge testosteronspiegel die scheldend, schreeuwend en wild om zich heen meppend door het leven gaan. Zij bevolken de korte films van de Vlaamse regisseur Michaël R. Roskam, die daarin met eenzelfde jongensachtige branie filmt als in zijn speelfilmdebuut rundskop, vanaf deze week in de bioscoop.
In haun (2003) worden spectaculaire cameraglijders en een uitgekiende videoclipmontage gepaard aan een grimmige film noir-stilering. Wat een duistere aanklacht lijkt tegen zinloos geweld, krijgt een onverwacht en vervreemdend slotakkoord. Na een opeenvolging van achtervolgingen en knokpartijen, staan de pokdalige kerels in een kringetje op een verlaten industrieterrein. Hun sinistere opstelling doet denken aan de shoot out van een western. Maar dan barsten ze in hoongelach uit en denk je: was al die opgepompte agressie soms een geintje?
De wijze waarop het plot van carlo (2004) zich ontrolt, valt evenmin te voorspellen. De titelheld komt terecht in een heuse Kafkaiaanse hel. Hij denkt voor een vriend die een wielenlichter tussen zijn kloten heeft gekregen te gaan invallen bij een potje voetbal, maar wordt per ongeluk opgepikt door een andere auto. De drie bekvechtende kut-Marokkanen noemen zichzelf weliswaar Ronaldo, Zidane en Beckham, maar als schuilnaam — ze gaan een overval plegen op een warenhuis.
Is hier sprake van een uiterst ongelukkige samenloop van omstandigheden? Of hangen alle gebeurtenissen beangstigend logisch met elkaar samen? carlo balanceert op Tykweriaanse wijze op het randje van toeval en lotsbestemming, zonder naar één van beide polen uit te vallen.
Roskam (1972) vormt het zoveelste bewijs dat Belgische filmmakers, meer dan Nederlandse, durven te verrassen — ook als ze uit Vlaanderen komen. Het licht glooiende, lege platteland in carlo houdt een beetje het midden tussen het kille, glasharde Noord-Frankrijk van Bruno Dumont (la vie de jésus, l’humanité) en de waterpasweilanden in Erik de Bruyns wilde mossels. Maar dan zonder het gemoedelijke karakter van laatstgenoemde.
Misschien schuilt daarin wel het verschil. In de Nederlandse consensuscultuur blijven films bij voorkeur een beetje leuk, een beetje vrolijk. Ellende mag nooit té ellendig worden. Misschien zijn wij wel gewoon te gelukkig voor het maken van grootse cinema.
Niels Bakker