Tweede Kamer buigt zich over Nederlandse content op online platforms

'Als we niet tot actie overgaan, vertrek ik alsnog'

  • Datum 13-02-2020
  • Auteur Karin Wolfs
  • Categorieēn Nieuws
  • Deel dit artikel

Beeld uit de serie Ares

“Als er ooit een kans was om ons internationaal te onderscheiden, dan is het nu.” Dat stelde actrice, regisseur en producent Halina Reijn gistermiddag in Den Haag. Daar onthaalde de Vaste Kamercommissie voor Cultuur producenten, filmmakers en vertegenwoordigers van online platforms om inzicht te krijgen in hoe Nederlandse content een plek kan krijgen op videoplatforms en online streamingdiensten.

Halina Reijn vertelde hoe ze recent een Amerikaans aanbod voor het maken van een film had afgewezen, omdat ze geen studioproduct wil maken, maar “onderscheidend, authentiek, lokaal werk”. De mogelijkheden daarvoor in Nederland acht de maker van Instinct groter “nu alles in beweging is en de honger naar originele content groter is dan ooit. We zijn een eigenzinnig volk en we zouden ons daarin kunnen onderscheiden.” De bevlogen Reijn sloot haar pleidooi af met een op vrolijke toon geuit dreigement: “Als we niet tot actie overgaan, vertrek ik alsnog.”

Aanleiding voor het rondetafelgesprek was de op handen zijnde invoering van de Europese richtlijn audiovisuele mediadiensten, die online streamingdiensten en videoplatforms vanaf half september verplicht om minstens dertig procent Europese content aan te bieden. Bovendien is de eis om die content niet ergens in een ‘deeplink’ te parkeren, maar op een zichtbaar plekje in de etalage te zetten. Kleine of ideële platforms – waaronder ook de Nederlandse initiatieven Cinetree, Cinemember en Picl – zijn van het quotum vrijgesteld.

Maar daarmee is de Nederlandse film er nog niet. Want in theorie staat het Europese quotum toe dat er alles behalve Nederlandse (want andere Europese) films worden vertoond of dat er louter klassiekers op het menu worden gezet. Daarom pleitten producenten en filmmakers er gistermiddag voor om een derde (tien procent) van het Europese quotum (van dertig procent) aan Nederlandse waar toe te dichten. 

Dat is misschien een beetje dubbelop, aangezien de Europese richtlijn de wegbereider vormt voor een aanvullende, nationale maatregel, die al door het ministerie van OC&W in de verf is gezet. Het betreft een stimuleringsplan dat in Nederland opererende bioscopen, streamingdiensten en omroepen verplicht voortaan een percentage van hun Nederlandse jaaromzet te investeren in de (co-)productie van Nederlandse films en series. Daarmee zou die door Europa voorgeschreven vertoningsplicht dus ook al (deels) moeten worden vervuld. 

Voor de investeringsverplichting zouden twee verschillende percentages van toepassing moeten worden: eentje voor exploitanten die direct verdienen aan audiovisuele content maar doorgaans niet rechtstreeks in aanbod investeren. Dat zijn de bioscopen en TVOD-aanbieders zoals bijvoorbeeld Pathé Thuis en pakketaanbieders als KPN en Ziggo. Voor hen zal een investeringsverplichting gelden ter hoogte van drie procent van hun in Nederland gegenereerde relevante jaaromzet. 

Voor exploitanten die wel rechtstreeks in content investeren, zou een investeringsverplichting gelden van zes procent. Hierbij gaat het om de omroepen en SVOD-aanbieders zoals Netflix, Apple TV+, Amazon Prime en Disney+. Een vrijstellingsdrempel van een miljoen euro moet filmtheaters ontzien. Voorlopige schattingen wijzen uit dat het om een injectie van rond de twintig miljoen euro zou kunnen gaan. 

Dat stimuleringsplan, waarvoor het afgelopen jaar intensief is gelobbyd, mag inmiddels niet langer een ‘heffing’ heten. Dat zou te marktverstorend zijn, aldus het rapport Verheffing of verstoring van onderzoeksbureau Dialogic, dat op verzoek van OC&W de effecten van de verschillende varianten in kaart bracht. Ook dient het niet langer de ‘circulariteit’ in de sector, omdat die onvoldoende economisch zou zijn onderbouwd: inkomsten uit films die terugzouden moeten vloeien naar Nederlandse producenten worden immers voornamelijk met buitenlandse en niet met Nederlandse films verdiend. 

En dus is dat plan inmiddels getransformeerd in een aan filmvertoners op te leggen ‘investeringsverplichting’ die – zeven jaar na de twintig miljoen van de ‘production incentive’ – opnieuw een ‘level playing field’ moet creëren. “Iets is beter dan niets”, zei producent Leontine Petit (Bloed, zweet en tranen; Kikkerdril) op de vraag van Kamerleden wat nou de voorkeur had: heffing of investeringsplicht. Door deze koerswijzigingen is het door de Raad voor Cultuur geopperde ‘onafhankelijke, brede AV-fonds’ van de baan. Wel zou er mogelijk een privaat investeringsfonds kunnen worden opgericht, naar voorbeeld van het Abraham Tuschinski Fonds, waar bioscoopexploitanten geld in storten dat aan de productie van publieksfilms wordt besteed. Tenminste, als de Netflixen van deze wereld niet gewoon zelf wensen te beslissen aan welke series ze hun geld besteden. Want dat kan ook, en ligt meer voor de hand.  

Regisseur en oud-Filmfonds-intendant Esmé Lammers (Lang leve de koninginSoof 2) wees erop dat geld alleen niet genoeg is om de internationale concurrentie met Hollywood, of België, Duitsland, Spanje en Scandinavië aan te kunnen. Ze bepleitte het belang van een eigen signatuur en “een radicale keuze voor kwaliteit” zoals de Denen die eerder hadden gemaakt. Daarvoor zouden filmmakers dan wel een gelijkwaardiger positie ten opzichte van andere partijen moeten krijgen. “Als je als maker meedeelt in het succes van je film, verbetert je onderhandelingspositie en kun je zelf in nieuwe projecten investeren: dan heb je niet zo’n Calimero-positie meer.” Die essentiële inhaalslag zou gemaakt moeten worden in het door OC&W gevraagde sectorplan, dat eind dit jaar na overleg met alle partijen moet verschijnen. 

Netflix-frontvrouw Janneke Sloëtjes bevestigde dat voor filmproducties taal nog nooit zo irrelevant is geweest als nu, maar dat kwaliteit belangrijker is dan ooit. Nadat ze vaststelde dat er tijdens de bijeenkomst veel over Denemarken was gesproken, vroeg ze zich af of er in Denemarken ook zo veel over Nederland zou worden gesproken. Sloëtjes: “Het probleem met Nederland – in vergelijking tot Denemarken –  is dat het een klein ecosysteem is, dat van oudsher niet genoeg op de internationale markt gericht is geweest.”

Kamerlid Zohair el Yassini (VVD) stelde vast dat versterking van de kwaliteit voor alle betrokken partijen van belang is. Op zijn vraag in hoeverre de consument voor de investeringsverplichting een meerprijs zou moeten gaan betalen, zei VodafoneZiggo-strateeg Robin Kroes: “Als die niet leidt tot content die internationale content kan vervangen, gaat het pijn doen.”

Producent Marleen Slot (Dirty God), tot slot: “Samen kunnen we misschien tot grote hoogte stijgen en hebben ze het straks in Denemarken ook over ons.”