Iwana Chronis, directeur Nederlands Filmfonds

‘Talent en verhalen hebben we, nu nog marktaandeel’

Datum
07-10-2026
Verschenen in
Lees meer over

Iwana Chronis. Foto: Fow Pyng Hu

De wittebroodsweken van Iwana Chronis als nieuwe directeur van het Nederlands Filmfonds zijn voorbij. Filmkrant ondervroeg haar over subsidieafhankelijkheid, de genderbalans op filmsets, sociale veiligheid en de systeemfout in de Nederlandse filmfinanciering.

Jaarlijks minstens twee Nederlandse films die een half miljoen tot een miljoen bezoekers trekken. Dat is een van de ambities die Iwana Chronis heeft geformuleerd sinds haar aantreden als directeur van het Nederlands Filmfonds op 1 mei jongstleden.

“Kwalitatieve publieksfilms van het kaliber Voor de meisjes”, preciseert ze. Maar die film van Mike van Diem wist, ondanks juichende recensies en een vliegende start vorig jaar op het Nederlands Film Festival, ‘slechts’ 324 duizend bezoekers te trekken, niet eens genoeg voor een Platina Film. Wat Chronis onverteerbaar vindt. En waar ze wat aan gaat doen.

“We werken aan een gezamenlijk initiatief om toptitels een extra duw in de rug te geven en dit soort films zichtbaarder te maken voor het Nederlandse publiek. Daarin willen we nauw samenwerken met alle partijen in de keten. Niemand kan het alleen. Het te lage marktaandeel van de Nederlandse film is een gedeeld probleem. Het raakt het werk van ons allemaal – hoe we financieren, ontwikkelen, produceren en vertonen. Laten we het dan ook een gedeelde verantwoordelijkheid maken. Na het Nederlands Film Festival organiseren we een rondetafelgesprek om out of the box na te denken hoe we dat gaan doen. Met distributeurs, bioscopen en filmtheaters, producenten, regisseurs, scenaristen en andere partijen.”

Dat klinkt strijdbaar. Maar zijn ze er ook, die Nederlandse publieksfilms met kwaliteit en hitpotentie? “Jazeker. Het niveau van de Nederlandse film stijgt al jaren. Een nieuwe generatie filmmakers heeft de blik naar buiten gericht, is meer bezig met het publiek en wil met andere budgetten werken. Het talent en de verhalen zijn er, de ambities zijn groot. Zie bijvoorbeeld Victoria Warmerdam, die met haar korte film I’m Not a Robot een Oscar won en nu bezig is haar speelfilmdebuut te financieren. Nina Gantz van Wander to Wonder werkt aan haar eerste lange animatiefilm. In Alaska draaide onlangs op het filmfestival van Toronto. Ook Truly Naked en A Family doen het internationaal goed.”

Waar komt die grotere ambitie vandaan? “Het is een combinatie van factoren. De markt is competitiever geworden: vorig jaar werden er 542 films uitgebracht in Nederland. Om in dat aanbod op te vallen, moet je meer doen. Maar het heeft ook deels te maken met ons beleid, de verdikking van de financiering. We geven meer geld aan minder films.”

Maar die mantra werd tien jaar geleden al uitgesproken door uw voorganger Doreen Bonenkamp. “Klopt. Maar wij hebben het nog verder aangescherpt. We zijn in een paar jaar tijd van dertig naar vijfentwintig speelfilms gegaan waarvan we de realisering ondersteunen. En nu is dat nog maar twintig – waarvan vijf jeugdfilms en minimaal één lange animatiefilm. Plus tien documentaires. Door het geld minder dun uit te smeren kunnen de films die wij ondersteunen een hogere production value waarmaken, hoeven ze niet te beknibbelen op draaidagen en krijgen cast en crew eerlijk betaald.”

Botst dit ‘meer geld voor minder titels’-beleid niet met de verbreding van het filmveld? Met allerlei nieuwe regelingen heeft het Filmfonds zelf expliciet erkend dat autodidacten, genrefilmers en makers met cultureel diverse achtergronden ook financiële ondersteuning verdienen. “Wij hebben inderdaad flink ingezet op talentverbreding. Maar dat hoeft niet per se in tegenstelling te zijn met onze selectiviteit in het ondersteunen van speelfilms, documentaires en animatie. Met korte films, series, mid-length en andere vormen kunnen makers hun handschrift vinden en vlieguren maken. Bewezen talent maakt kans om door te stromen.”

Levert dat niet een hele hoop gefrustreerde filmmakers op, die niet verder komen dan een paar korte films? “Het gaat om een gezonde verhouding tussen ontwikkeling en realisatie. Er is het afgelopen decennium heel veel ontwikkeld en er zitten nog veel films in de pijplijn waarvan maar een fractie daadwerkelijk kan worden gemaakt. We proberen die trechter iets minder knellend te maken, onder andere door pitch-panels waarmee de verwachtingen en doelen van filmmakers realistischer worden afgestemd. Als je het grafisch zou uitdrukken dan ziet de aanvoerroute er nu uit als een bolle vaas en we willen naar een mooie piramide. Maar filmprojecten duren vaak lang en we hebben nog te maken met projecten van jaren geleden. De frustratie zal dus nog even blijven.”

Wordt die niet ook nog versterkt doordat er steeds minder geld is voor film? De bezuinigingen op de publieke omroep zullen doorklinken in de filmbudgetten en het aantal loketten waar producenten kunnen aankloppen voor ondersteuning is alleen maar gekrompen. “We hebben een systeemprobleem. De druk op publieke middelen is enorm gestegen en private partijen zijn minder geneigd te investeren. Het ontbreekt aan een gezond ondernemersklimaat omdat de risico’s groot zijn in een markt waar geldt: the winner takes all. Een paar films trekt het merendeel van het publiek, en de middenlaag is bijna helemaal weggevallen. Dat is een internationaal probleem, en je kunt je afvragen wat wij daar als fonds alleen aan kunnen doen.”

Wat is er nodig om die private investeringen op gang te trekken? “De afhankelijkheid van het Filmfonds is nu te groot. Er mist structureel een schakel in het financieringslandschap: private financiering. Een fiscale prikkel kan helpen om private investeringen aan te trekken. Door zo’n fiscaal voordeel voor investeerders krijg je grotere productiebudgetten, kan talent beter doorbreken, is er meer continuïteit in het werkaanbod en wordt fair pay beter gewaarborgd. Het maakt ons land ook aantrekkelijker voor internationale producties. Nu zijn we niet concurrerend genoeg, zeker niet ten opzichte van andere landen die wel zo’n regeling hebben, en lopen we internationale projecten mis.”

Voert u een lobby in Den Haag? “Er worden gesprekken gevoerd. Zo’n regeling kost de staat natuurlijk geld en dat ligt gevoelig bij sommige partijen. Maar iedere euro die je via een fiscale maatregel uitgeeft, komt in veelvoud terug als investering van private partijen. Het effect moet ook zijn dat wij minder belangrijk worden in de financieringsmix en ons meer kunnen richten op onze rol als Rijkscultuurfonds.”

Hoe definieert u die rol? Er wordt soms gesuggereerd dat het fonds zich te veel bezighoudt met publieks­bereik en commercie. Filmmaker en producent Digna Sinke stelde vorig jaar in een interview voor om 4 procent van het filmfondsbudget te reserveren voor vrij experiment. “Tussen commercie en vrij experiment zit een hele wereld. We hebben verschillende regelingen voor projecten die grensverleggend zijn in filmtaal, vertelvorm of productionele benadering. In het Caleidoscoop-programma zijn alle schotten weggehaald, alles kan binnen een bepaald budget en wij financieren 85 procent zodat de maker snel en gefocust aan de slag kan. De zoektocht naar geld gaat zo niet ten koste van de eigenzinnigheid. Binnen deze regeling is onder andere Toutes directions, de slotfilm van het Nederlands Film Festival, gemaakt.
“Daarnaast hebben we regelingen voor onderzoek en experiment, waar we veel aanvragen voor krijgen. En samen met het Mondriaan Fonds hebben we De Verbeelding, die een film kan opleveren maar ook een installatie. Bij elkaar opgeteld zouden we die 4 procent zomaar eens kunnen halen.”

We hebben het nu vooral gehad over de financieel precaire situatie van de Nederlandse filmindustrie, maar hoe zit het met de sociale veiligheid waar de laatste jaren zoveel over te doen is? “We horen natuurlijk alleen wat er niet goed gaat, maar ik hoop dat de risico’s op grensoverschrijdend gedrag inmiddels kleiner zijn. Er moet echter meer worden gedaan om de vertrouwensbasis te versterken, ook binnen de driehoek van regisseur, scenarist en producent. In andere landen werken die vaak langdurig samen, in Nederland verandert de samenstelling van het team voortdurend en dat kan voor gebrek aan vertrouwen en machtsongelijkheid zorgen. Binnen onze talentontwikkelingsregeling TalentScope werken we daarom sinds een paar jaar met een psycholoog die met de makersteams aan de slag gaat om het onderlinge vertrouwen te vergroten. Welke verwachtingen hebben ze van elkaar? Welke film hebben ze voor ogen?”

Misschien heeft die onveiligheid ook iets te maken met genderongelijkheid. Doet het Filmfonds daar iets aan? “Met name bij commerciële producties is de genderbalans slecht en dat is een hardnekkig probleem. In ons beleidsplan hebben we vastgelegd dat voor eind 2026 bij minimaal de helft van de projecten die wij ondersteunen tweederde van de makersdriehoek moet bestaan uit vrouwen. Halen we die doelstelling niet, dan overwegen we quota in te stellen. Die gelden in eerste instantie voor de ontwikkelfase maar moeten vanaf 2028 ook gelden voor realisering.”

Een ander urgent onderwerp waar u als Filmfonds-directeur in toenemende mate mee te maken zult krijgen is AI. In Hollywood zijn duizenden professionals al hun baan kwijt en de eerste AI-acteur, Tilly Norwood, luidt de doodsklok voor acteurs van vlees en bloed. Welke positie neemt het Filmfonds in ten opzichte van deze nieuwe technologie? “Wij kunnen de opkomst van AI niet tegenhouden maar wel van makers vragen de technologie bewust in te zetten en op de hoogte te zijn van de risico’s. We hebben in samenwerking met andere Rijkscultuurfondsen richtlijnen opgesteld. De menselijke creatie blijft centraal. Daarom vragen wij makers om transparant te zijn of ze AI hebben gebruikt, hoe, en hoe het hun project versterkt. Wijzelf gebruiken nooit AI in het beoordelen van aanvragen.
“AI gaat onherroepelijk impact hebben op alle fasen van de filmproductieketen, van ontwikkeling en financiering tot scripts en marketing. Maar het meest verontrustende effect zit bij de publieksbenadering. Algoritmen schotelen alleen nog voor wat kijkers eerder al eens hebben gewaardeerd. Daardoor ontleren ze iets tot zich te nemen waar ze niet om hebben gevraagd. Dat is een doemscenario waar we met filmeducatie iets aan moeten doen.”