IDFA 2026: NL is XL in XR

‘Dit krijg ik er in andere landen niet doorheen’

Datum
04-11-2026
Auteur
Verschenen in
Lees meer over

V.l.n.r. Celine Daemen, Steye Hallema, Tibor de Jong en Nienke Huitenga Broeren. Illustratie: Nienke Huitenga Broeren.

IDFA DocLab, speeltuin voor immersieve kunst, bestaat twintig jaar. Waarom is Nederland zo goed in immersief? Een rondetafelgesprek met vier Nederlandse makers schetst de contouren van een antwoord. Waarmee ook de filmwereld z’n voordeel kan doen. “We zijn fucking eigenwijs.”

De vraag: waarom is juist Nederland zo’n reus in de wereld van immersieve media? Het antwoord lijkt, na een uurtje brainstormen met vier Nederlandse XR-makers, “het proces”.

Ik ontmoet op Venice Immersive – als onderdeel van de Biënnale het belangrijkste eXtended Reality-festijn ter wereld – de drie Nederlanders in competitie: Celine Daemen met haar zinsbegoochelende kijkdoos Nothing to See Here (dat vorig jaar op DocLab in première ging), Nienke Huitenga Broeren met haar omvangrijke recreatie van Amsterdam 1652 (dat ook op een vaste locatie in Amsterdam te bezoeken is) en Tibor de Jong, van wie het fantasmagorische Honeyboys in Venetië z’n wereldpremière beleefde. Iets later schuift Steye Hallema aan, die met zijn smartphone-groepservaring La laguna parla het feestje van Venice Immersive’s tienjarig jubileum mocht inluiden.

Deze indrukwekkende Nederlandse aanwezigheid is geen uitzondering; al jaren doen Nederlandse XR-makers het internationaal opvallend goed. Met het winnen van hoofdprijzen in Venetië (Celine Daemens Songs for a Passerby in 2023) en Cannes (Michel van der Aa’s From Dust in 2025) als hoogtepunten – dat doet de Nederlandse cinema ze niet na.

Mijn vraag aan hen is: waarom? Hoezo kunnen we dit wél? De eerste grote denkstap: nee, de Nederlandse cinema staat niet bekend om de experimenteerdrift die de XR-wereld kenmerkt – maar het Nederlands theater wél.

Gebruiker Nothing to See Here op Venice Immersive 2026. Foto: KEES Driessen

Celine Daemen: “En dat is fundamenteel anders dan film, waar je als publiek eigenlijk niet echt in de ruimte aanwezig bent. Je bent bij dat platte scherm. Een grote uitdaging voor VR is om het publiek zijn eigen aanwezigheid te laten ervaren. Dat is iets waar het Nederlandse theater al heel lang mee experimenteert. En veel Nederlandse immersieve makers komen uit dat theater en brengen die kennis mee.”

Plus, zoals Van der Aa zei toen ik hem in 2025 dezelfde vraag voorlegde: “Ons theater loopt internationaal gezien voorop in de integratie van beeldschermen en digitale techniek.”

Steye Hallema: “Ik begon ooit met PIPS:lab, een soort theater. Daardoor voelde ik me toen VR kwam best arrogant: ik snap het al. Omdat we al zo veel met technologie hadden geëxperimenteerd.” Daemen: “Zelfs de Nationale Opera heeft een zaal waar kunstenaars met technologie kunnen experimenteren. Dat is in andere landen niet vanzelfsprekend, dat de nationale opera zin heeft om te componeren met een paar Kinect-camera’s en sensoren.”

Goed, maar dan verschuift de vraag: waarom bestaat die multimediale theatertraditie juist zo sterk in Nederland? Eén antwoord dat komt bovendrijven: technologische innovatie. Daemen: “Met kunst hoef je bij Nederlanders niet echt aan te komen. Ik zou in het theater nooit mogen maken wat ik in VR maak, omdat het poëtische, filosofische, vage shit is. Maar onder de mantel der innovatie mag het wel.” Hallema: “Haha, dit is mijn citaat!” Tibor de Jong: “Als je maar een zweem van het startup-achtige eraan kan hangen, mag opeens alles. Dat is wel echt zo.”

Het event La laguna parla tijdens Venice Immersive 2026. Foto: Nienke Huitenga Broeren

Want: Nederlanders houden van techniek. En zijn dus ook technisch? Nienke Huitenga Broeren: “Ja, zeker.” De Jong: “Ook oudere mensen. De meeste kinderen ook.” Hallema: “We zijn mensen die polders hebben aangelegd, en goeie fietspaden. Schiphol was een schoolvoorbeeld van goed design. En we zijn ook heel streng als iets niet goed geregeld is – wat trouwens ook een verschrikkelijke eigenschap kan zijn.”

Oké, daar zit wat in: het land van het cassettebandje en de cd heeft een inherente interesse in het technisch onderzoeken van nieuwe media.

Huitenga Broeren maakt een rake vergelijking: Nederland is een land van fietsers. “We willen graag een soort vrijheid voelen, die ook technisch goed functioneert.” Wat leidt naar het volgende cruciale punt: eigenwijsheid – door rood fietsen is een nationale sport; een fiets is een technologie voor eigenwijze geesten. Nederlandse XR ook.

Daemen: “Bij ons is iedereen fucking eigenwijs. En zegt het gewoon als ze vinden dat het niet werkt.” De Jong: “En dat heb je ook nodig, zolang niemand precies weet wat je eigenlijk aan het maken bent.” Daemen: “Je moet durven zeggen: wat zie ik nou echt? Wat voel ik nou echt? En daar heel eerlijk over zijn. Oh, dit is kneuterig. Terwijl het zo’n vet goed idee was.”

Huitenga Broeren: “Je hebt die botheid nodig. En dat je het niet meteen persoonlijk neemt. Ik merk dat dat in andere landen vaak een drempel is. Zomaar zeggen wat je denkt? Met de regisseur erbij? Oh my god.” Maar: bot zijn alle Nederlanders. Ook in de filmwereld. Dus opnieuw: waarom hier wél?

Filmkrant-medewerker Feline Swaab doet Honeyboys op Venice Immersive 2026. Foto: KEES Driessen

Het antwoord lijkt te schuilen in dat sleutelbegrip: het proces. De XR-projecten van deze makers zijn allemaal uitkomsten van trial and error. Daemen: “Ik denk dat VR verlangt dat je wordt geraakt. Doordat een uitzicht mooi is. Doordat een gang heel krap en benauwd is. Het goede van zo’n ontwerp krijg je alleen door te proberen en ervaren, totdat je denkt: zo voelt het goed.”

Waarbij, en dat is essentieel, elke betrokkene mag roepen wat die vindt. Daemen: “Als je hiërarchisch bent, doet dit team dat stukje, en als dat af is, doet het volgende team het volgende stukje. Waardoor je eigenlijk nooit meer het roer kan omgooien. Nooit meer naar het werk kan luisteren: wat wil dat zelf eigenlijk zijn?”

Eigenwijs kritiek geven heeft alleen zin als niet al bij voorbaat alles vastligt. Als niet het resultaat, maar het proces centraal staat. Huitenga Broeren: “De fondsen kijken naar het verhaal dat je op dag nul neerlegt; en dan kijken ze bij de première. Maar wat er tussendoor gebeurt, dat weten ze niet.” Terwijl ze vermoedt dat het Nederlandse succes juist te maken heeft met “dat Nederlandse makers, Nederlandse producties procesmatiger, strategischer zijn dan in andere landen”. Hallema: “Dat zou heel goed kunnen.” Daemen: “Sluit mij maar twee weken op met drie kabels en één andere maker, totdat ik weet wat ik wil.”

Amsterdam 1652

Huitenga Broeren: “Met internationale partners merk ik vaak dat zij vanuit een soort reflex zeggen: dit is nou eenmaal zoals we het doen.” Terwijl ze zelf liever eerst met een ruwe versie test of het publiek wel reageert zoals gedacht. “Waarbij zij zoiets hebben van ja, maar dat is niet hoe we werken.”

Hallema: “Voorbeeld. Voor een aanvraag kreeg ik een raving review van het Stimuleringsfonds. Maar wat ik had geschreven was eigenlijk een essay over een paar onderzoeksvragen. Daar kom ik in het buitenland echt niet verder mee. Die willen gewoon mooie plaatjes hebben, van: zo gaat het eruitzien. Terwijl ik denk: eerst doe je het verhaal en de interactie. Als ik daar een prototype van heb, ga ik kijken hoeveel processorsnelheid ik nog heb voor hoe het eruitziet. Want dan weet ik dat het werkt. En dat krijg ik er gewoon in andere landen niet doorheen.”

Ik zie wel wat in deze combinatie van factoren als verklaring die de afzonderlijke werken ontstijgt: de Nederlandse XR als een technisch nieuwsgierig, multimediaal, door theaterexperimenten geïnspireerd proces, waarbij iedereen, van hoog tot laag, mag roepen hoe het beter kan, waar uitproberen en technologische innovatie worden toegejuicht, maar het eindresultaat wel moet voldoen aan de kwaliteitseisen van een Gazelle of Batavus. Het is een methode die aantoonbaar werkt. En die, wie weet, ook de Nederlandse filmwereld zou kunnen inspireren.


IDFA DocLab vindt plaats van 13 t/m 22 november 2026.