Cannes 2026: Immersive Competition
Grote ruimte, kleine inhoud
Red Planet 3009 zoals gepresenteerd in Cannes. Foto: KEES Driessen
Cannes doet het dit jaar helemaal anders met de Immersive Competition: niet meer ieder voor zich (of hoogstens met een handvol anderen), maar presentaties met tientallen, zelfs honderden mensen tegelijk. Een initiatief dat lovenswaardig is. En enorm tegenvalt.
Voor zijn derde editie heeft Cannes besloten de Immersive Competition op een heel andere manier te doen. Werd de eerste editie nog wat onopvallend gehouden in een buiten het centrum gelegen multiplex, voor de tweede editie (gewonnen door From Dust van de Nederlander Michel van der Aa, die dit jaar in de jury zit) verhuisde het hele circus naar het grandioze – en zeer centrale – Hotel Carlton. Oké, naar de kelder van het Carlton, maar zelfs die bleek nog behoorlijk sjiek.
In die kelder zitten we dit jaar weer, maar anders. Op de eerdere edities presenteerde Cannes de meeste immersieve werken (uitzonderingen zoals een bioscooppresentatie daargelaten) in afzonderlijke hokjes of eventueel iets grotere ruimten als het werk dat vereiste. Daarvoor konden dan gedurende het hele festival kaartjes gekocht worden, vaak voor één persoon per keer, soms voor kleine groepjes van zo’n vier tot acht mensen. Dit keer krijgt elk werk in het programma afzonderlijk de beschikking over dezelfde grote ruimte van 30 bij 15 meter.
Die rechthoekige ruimte is zelf een groot scherm (inclusief de deur waardoor je binnenkomt, die tijdens de presentaties met een doek wordt bedekt): op de 4 meter hoge wanden en ook op de vloer kan geprojecteerd worden.
Sommige werken bestaan alleen daaruit: projecties. Een bevestiging van de eerder opgemerkte trend van grote schermen in de immersieve videokunst. Maar erg veel levert dat hier niet op. De Engelse productie The Pirate Queen: No Safe Waters van Eloise Singer gebruikt feitelijk alleen het middelste gedeelte van een van de lange wanden; de rest wordt aangevuld met repetitieve patronen. Zodat je in wezen naar een niet erg groot bioscoopscherm kijkt, dat ook nog eens net als het publiek op de grond staat, zodat de bezoekers voor je tamelijk in de weg zitten. Bovendien is de korte animatie over de beroemde Chinese piraat Cheng Shih (zoals een van haar vele namen luidt) tamelijk zielloos, matig geanimeerd en voorzien van een soms slecht te verstane voice-over van Lucy Liu. Wel kunnen 180 bezoekers dat tegelijkertijd ervaren.
Ook het Italiaanse Red Planet 3009 van Mariano Leotta en Francesco Fiore projecteert rondom, met dit keer meer gebruik van de hele ruimte. Waarbij de teksten van de Mars-Rover Serendipity tegelijk op tegenovergelegen wanden worden geprojecteerd – anders zou de computerinfo voor een deel van het publiek te ver weg zijn om nog leesbaar te zijn. Het idee dat we met maar liefst 220 bezoekers per keer het Mars-terrein rondom ons zien, zonder headsets op, heeft wel iets. Maar het verhaaltje, met een korte Black Mirror-achtige twist aan het eind, heeft te weinig om het lijf en het wordt nooit duidelijk tegen wie de Mars-Rover nou eigenlijk praat – en waarom hij dat überhaupt doet, en op zo’n menselijke manier, met lachen en uitleg et cetera.
Over Black Mirror gesproken: de Frans-Spaanse coproductie The Black Mirror Experience van David Bardos en Damià Ferràndiz is een VR-ervaring waarin je in groepjes van zes rondloopt door een complex waar jouw LiveAgent wordt gecreëerd – een AI-robot die allerlei saaie taken van je kan overnemen. Dat die, voor mij, mijn gezicht krijgt, is een trucje dat al meer XR-makers hebben toegepast en dat mij persoonlijk veel minder schokt dan die makers, vermoed ik, verwachten. Technisch ziet het er wel oké uit (al is de grafische kwaliteit een stuk minder dan die van het social media–ready filmpje dat me werd nagestuurd en dat dus verneukeratieve reclame is), maar erg spannend is het allemaal niet en ook het idee – spoiler – dat de robot uiteindelijk mijn plek in de wereld wil overnemen is, voor een Black Mirror-aflevering, niet echt een hersentoller.
In deze ervaring maken de deelnemers wel, door rond te wandelen, echt gebruik van de omvang van de ruimte. En dat meerdere groepen tegelijk de interactieve VR kunnen doen (met dertig deelnemers per keer) was technisch gezien indrukwekkend – al was in ons groepje één iemand verkeerd gecentreerd ten opzichte van zijn virtuele avatar, zodat ik meermalen tegen hem aan botste en de hele ervaring voorzichtig schuifelend, met de armen voor m’n borst, ben doorgekomen. Wat toch afleidt. En wat het social media-filmpje niet laat zien.
Individueel zittende VR’s zijn er ook. Doordat in deze ruimte een hele groep mensen dat tegelijk kan doen, lijkt het meer op bioscoopbezoek: samen verheugen, samen napraten. Dat is natuurlijk leuk, maar voor de beoordeling van de werken verder niet relevant.

Van deze individuele VR-werken was het Filipijnse Yellowfin live-action fictie – wat je niet zo vaak ziet – met prima zwart-witbeelden van een gevangenis, scheepsruim, begraafplaats et cetera. Nadeel was wel dat het fragmentarische verhaal (met goudstaven, een meermens en een plots opduikende Indonesiër) niet te begrijpen valt – oftewel “surreëel”, aldus de begeleidende tekst. Het Portugese Lúcido van Vier koppelt een queer relatiedrama aan een onderwerp dat bij uitstek geschikt is voor VR – lucide dromen – en mooi in elkaar overvloeiende visuele illusies. Een zorgvuldig werk, behalve dat het interactiedesign wat rommelig uitpakt. Want je kunt wel vliegen in deze lucide droom, en tekenen, maar niet overal en niet altijd. Kwestie van proberen.
Mijn favorieten zijn daarom het Zuid-Koreaanse Voooooo—Peeeeee— van Hyeunjoo Woo en Jiyun Park en het Franse Katábasis van Ugo Arsac. “Voooooo—Peeeeee—” is het geluid van een wat kortademig lijkende kikker die een innerlijke leegte bij je opvult – al vind ik het jammer dat dit gaandeweg wordt verklaard doordat je data naar de cloud hebt geüpload; het statement dat je daardoor wat ‘verliest’ voegt eigenlijk niks toe aan de ervaring, die sterker werkt als dichterlijke verbeelding van een emotionele staat.
In de Franse documentaire-VR Katábasis glijd je door de ondergrondse wereld van New York, op plekken die niet officieel toegankelijk zijn maar waar nieuwsgierigen, uitgestotenen en teruggetrokkenen een plek vinden. Er is een beetje vreemd visueel effect dat waar je kijkt bepaalde specifieke vlakken feller worden en meer textuur krijgen (in plaats van bijvoorbeeld de meer natuurlijke lichtvlek die een zaklamp zou veroorzaken), maar de doorzichtigheid van de meerdere, met witte punten gecreëerde lagen geeft een mooi ruimtelijk overzicht – vooral waar je boven je, door het wegdek heen, de gebouwen van de stad nog kunt zien.

Op verschillende ondergrondse plekken kun je documentaireverhalen beluisteren van mensen die in deze wereld leven, werken of vertoeven. Waarbij één bezoek niet alle mensen (of routes) in één keer ontsluit. Het mooiste van de ervaring vind ik echter de stukken waarin je geen informatie krijgt maar gewoon door deze spookachtige zwart-witte ruimtes glijdt, met een ingetogen soundscape; misschien dat je juist zo het meest een gevoel krijgt voor waarom iemand hier zou willen zijn.
Van de ervaringen die specifiek geschikt zijn voor het type grote ruimte waarvan dit jaar gebruik wordt gemaakt, is Pierre-Alain Girauds VR Playing with Fire (een coproductie van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Taiwan) het best gelukt. Rondom een fysieke Steinway-vleugel, die à la een pianola ingespeelde stukken van de klassieke pianist Yuja Wang ten gehore brengt, lopen we met veertig mensen tegelijk door een ruimte die, met onze headsets op, nog veel groter lijkt dan de al behoorlijk grote ruimte waarin het plaatsvindt. Een aardig detail is dat de (geabstraheerde) avatars van andere deelnemers pas verschijnen als ze dichterbij komen – en dat blijkt effectief, want ik botste tegen niemand op (maar moest mezelf er wel aan herinneren niet gedachteloos een stap naar achteren te zetten). En omdat de animaties rondom tegenvallen, kan de volledige aandacht gaan naar de met hoge kwaliteit digitaal ingescande pianist Yuja Wang zelf.

Dat Cannes iets nieuws probeert rond de festivalpresentatie van immersieve werken valt toe te juichen. Het grote beschikbare vloeroppervlak biedt ook bepaalde technische mogelijkheden voor werken die anders niet geprogrammeerd hadden kunnen worden. Cannes heeft de technische haalbaarheid van deze manier van opschalen bewezen, de onvermijdelijke glitches daargelaten (zo stond ik in Voooooo—Peeeeee— een halve meter boven de virtuele grond in plaats van erop). De zogenaamde throughput (de hoeveelheid mensen die een ervaring binnen een gegeven tijd kan beleven) is op deze manier per keer veel hoger, wat de financiële levensvatbaarheid vergroot. En het snel veranderen van de ruimte voor verschillende producties (met dank aan de projectoren, die de noodzaak van aankleding wegnemen) blijkt ook geen probleem.
Maar om echt te bewijzen dat deze benadering toekomst biedt – en minstens even belangrijk: Cannes-waardig is – zal het aanbod eerst veel sterker moeten worden. Misschien volgende keer weer eens wat Nederlanders selecteren?