Het nieuwe lowbudgetfilmen

'Het is allemaal wat losser. Daardoor durf je meer.'

  • Datum 06-06-2011
  • Auteur
  • Deel dit artikel

David Verbeek

Een nieuwe generatie ontdekt de lowbudgetfilm, met Bobby Boermans’ internetfilm claustrofobia, Tygo Gernandts Suitcase Cinema, David Verbeeks club zeus en Victor Pontens en Jim Taihuttu’s rabat: "Ik denk dat onze generatie er op een creatieve manier mee om moet gaan."

Eddy Terstall is aan het crowdfunden, Marc van Uchelen werkt aan een film met webcams en ook een nieuwe generatie filmmakers ontdekt de lowbudgetfilm. Vorige maand schreven we al over de internetfilm claustrofobia van Bobby Boermans. Joris Hoebe en Tim Murch, momenteel aan de slag met de dierenverhalen van Toon Tellegen, stichtten samen met acteur Tygo Gernandt productiemaatschappij Suitcase Cinema, die filmmakers wil stimuleren met kleine budgetten films te maken, als het ware met "de inhoud van een koffer". En deze maand gaan er weer twee in première. club zeus, over Chinese hostboys in Shanghai, van David Verbeek (shanghai trance en r u there). En rabat, over drie vrienden die tijdens een roadtrip naar Marokko volwassen worden, van het succesvolle Habbekrats reclame- en multimediaduo Victor Ponten en Jim Taihuttu. Het budget voor de projecten bedroeg tussen de één (club zeus) en drie ton (rabat). Maar werken voor zo weinig geld heeft zijn consequenties.

Hobbyproject
rabat en club zeus zijn heel verschillend, en de regisseurs gingen op een andere manier met hun budget om. Verbeek (1980) besloot de vijftigduizend euro die hij en zijn producent Raymond van der Kaaij bij elkaar brachten alleen aan de draaidagen te besteden: "We hebben van dat geld tien draaidagen gefinancierd. In de club en bij de hoofdpersonages thuis. Maar na de montage bleek de film te claustrofobisch, omdat de scènes zich alleen binnen afspeelden en er veel close shots waren. Bovendien was hij zo’n veertig à vijftig minuten. Dat is te lang voor een korte film en te kort voor een feature. Toen ben ik er in de weekenden aan gaan zitten, tegelijkertijd met r u there (2010). Het werd een hobbyproject. Tijdens het hersnijden herinnerde ik me het ongebruikte materiaal van shanghai trance (2008). In die film was Shanghai de eigenlijke protagonist en er waren dus veel shots waar de acteurs niet in voorkwamen. Die shots hebben we in club zeus gemonteerd. Daarmee ben ik naar het Filmfonds gegaan en van hen kreeg ik nog zestigduizend euro voor de afwerking. Dat hebben we gebruikt voor de grading, de animaties en de muziek."

Ambities
Ponten (1981) en Taihuttu (1981) deden het anders. Ponten: "We hadden drie acteurs, de auto en de reis van vijf weken. Vanuit dat idee zijn we gaan schrijven." Taihuttu vult aan: "De productie gaf letterlijk de opdracht: schrijf niks groots, niks waar veel mensen zijn en geen moeilijke locaties. Daarom speelt het meeste zich af op straat, in snackbars en bij tankstations." Ponten: "Maar we hadden wel ambities, want we wilden acteurs inzetten als Slimane Dazi (un prophète) en Mohamed Majd (syriana). We zorgden dat we ze maar één dagje nodig hadden en dus iets konden betalen."
De regisseurs bespaarden ook op hun camera-apparatuur. Taihuttu: "We filmden met fotocamera’s van Canon. Daarvan werd gezegd: ‘dat kan niet in de bioscoop’ en ‘daar kun je geen kleurcorrectie op uitvoeren’. Maar ik denk dat onze generatie er op een creatieve manier mee om kan gaan. De oudere generatie is wat dat betreft oubolliger. We moeten van die babyboomers af. Die komen uit een tijd dat alles kon en alles er was. Ik weet dat wij uit zo’n camera veel meer kunnen halen dan zij uit een duurdere camera." Ponten: "Bovendien, als we met een duurdere camera hadden gedraaid, dan hadden we er maar één gehad. Nu konden we met twee of soms drie camera’s draaien."
rabat groeide gedurende de productie uit tot een groter project met boeken, clips en partnerschappen met adverteerders. Ponten: "Door onze achtergrond in de reclame zijn we eerder geneigd om op die omvattende manier over een project te denken."

Meer experiment
Dat lowbudgetfilmen grenst aan zelfexploitatie vinden de filmmakers niet. Ponten: "Het is niet zo dat je de film voor niets maakt. En ik kan je één ding vertellen: iedereen die aan deze film heeft meegewerkt, deed dat omdat hij het gevoel had dat hij daarmee een droom en een ambitie kon waarmaken."
Verbeek: "Je wordt je eigen slaaf, maar je doet het uit vrije wil, dus dan is het per definitie geen slavenarbeid. Maar goed, ja, ik heb er een paar duizend euro mee verdiend en dat is echt alles."
Verbeek ziet grote voordelen in het maken van lowbudgetfilms: "Juist als je meer geld tot je beschikking hebt, is de druk veel groter. Je bereidt alles voor en er is minder ruimte om te improviseren en te experimenteren. Bij een film voor minder geld is het allemaal wat losser. Daardoor durf je meer."
Taihuttu: "Er is een verschil tussen lowbudget en nobudget. Nobudget films wil ik niet blijven maken. Ik ben nu hartstikke arm. Maar je hebt regisseurs die werken volgens de ‘één voor mezelf, één voor het publiek’-regel. Daar ben ik ook een aanhanger van. Ik ben heel gelukkig en je moet investeren, maar als je mij nu zou vragen ‘zullen we naar Pathé De Munt naar rabat gaan?’, dan gaat dat niet. Ik heb nu even geen tien euro."

Laura van Zuylen

Cultuureconomie
Anorexiapatiënt moet lijnen

Met de dreiging van nog meer bezuinigingen op kunst en cultuur aan de horizon lijkt lowbudgetfilmen de oplossing. Maar dat is slechts kortetermijnpolitiek, zegt  kunsthistoricus en researcher Steven ten Thije.

Filmmakers die met geringe budgetten werken doen dat vaak uit nood: ze maken liever een film met weinig middelen, dan geen film. De artistieke noodzaak is groter dan de financiële. Ze doen een beroep op hun creditcard, de goodwill van hun vrienden en hun creativiteit, ook in de hoop dat die goedkoop gemaakte film hun doorbraak naar iets groters kan betekenen. En neem het ze eens kwalijk.
Maar zo’n cultuureconomie heeft consequenties, zeker als je kijkt naar de huidige bezuinigingen. Steven ten Thije (1980), kunsthistoricus en researcher bij het Van Abbemuseum in Eindhoven, legt uit: "De politiek vraagt een anorexiapatiënt om te gaan lijnen. De cultuursector is al enorm efficiënt doordat vrijwel alles op freelancebasis en met bescheiden budgetten gebeurt. Daardoor betekent minder geld simpelweg minder cultuur. Ik denk niet dat bezuinigen onmogelijk is of dat er geen andere financieringsvormen voor kunst gevonden zouden moeten worden. Maar op dit moment worden aan de ene kant kunstacademies en filmscholen afgerekend op uitgegeven diploma’s en wordt de aanbodkant gestimuleerd. En aan de andere kant wordt met één pennenstreep een enorm gat geslagen in de gelden waarvan die mensen straks kunnen leven. Zo produceer je je eigen bijstand — prachtig liberaal beleid."

Slavenarbeid
Als makers accepteren dat ze voor niets of bijna niets werken, dan kun je zeggen dat ze zichzelf exploiteren, een moderne vorm van (zelfopgelegde) slavenarbeid: heel veel investeren en er niets voor betaald krijgen. De hierboven geïnterviewde regisseurs vinden van niet. Ten Thije: "Het is niet onder alle omstandigheden slecht om eraan deel te nemen. Als je begint moet je je bewijzen en dan ga je door het vuur. Daar is niets mis mee. Problematisch is het als die fase steeds langer wordt. Het moet geen alternatieve economie worden. Als de sector algemeen accepteert dat iemand best tot zijn veertigste beneden modaal kan verdienen en toch meer dan veertig uur per week werkt, dan vind ik dat voor een welvarend land treurig. En dat los je met subsidie niet op.
"Het gaat ook, of misschien zelfs primair, om de mentaliteit. Kijk, een loodgieter gaat niet voor vijf euro per uur aan de slag. In de cultuursector is dat anders. Regisseurs, kunstenaars, theatermakers houden van hun vak en ze vinden het een eer dat ze het mogen uitoefenen. Ze zien de beloning bijna als iets extra’s. Maar met die mentaliteit ondermijnen ze de status van hun werk op de lange termijn. Maar ja, dat is natuurlijk makkelijk gezegd — als de bezuinigingen doorgevoerd worden, wordt het alleen maar erger. Mensen zullen zich massaal gooien op het werk dat overblijft, dus nu is principes hebben haast onmogelijk. Het is belangrijk dat er meer transparantie ontstaat over dit aspect van de kunst- en cultuurwereld. Want er bestaat nu het idee dat mensen in deze sector het betrekkelijk makkelijk hebben."

Laura van Zuylen