Filmslot II: Complex Hollywood

We willen opgelicht worden

  • Datum 02-02-2016
  • Auteur
  • Deel dit artikel

THE BROTHERS BLOOM

De complexe vertelstructuren van de neurocinema dringen door tot de mainstream, tonen the brothers bloom en duplicity. Alles wat dom was, maakt ons slimmer.

Waar is toch de cinema in de hosannaverhalen over de zogenaamde ‘nieuwe televisie’, verzuchtte Adrian Martin twee maanden terug. Aanleiding waren een (oude) lezing van Frederic Jameson, die de ‘cognitive mapping’ die wordt gecreëerd in series als the wire vergeleek met de klassieke literatuur, en een artikel in dagblad The Australian van James Bradley over de ‘new TV’ (het labeltje is even loos als bruikbaar), complexe televisieseries als the sopranos en the wire. Zowel Jameson als Bradley trok een lijn van de ‘nieuwe televisie’ terug naar de Grote Romans van de negentiende eeuw, en sloegen daarbij de tussenstap cinema grotendeels over. ‘Het is alsof de cinema, dat relikwie uit de twintigste eeuw, nooit bestaan heeft’, concludeerde Martin.
Het feit dat Bradley expliciet wél oog heeft voor het cinematische in de ‘nieuwe televisie’ (hij maakt niet alleen ‘een paar referenties naar Scorsese’, zoals Martin stelt, maar noemt ook bijvoorbeeld Visconti, Coppola en Malick als invloeden voor de beeldtaal van the sopranos) laten we hier even voor wat het is. Want interessanter is het om Martins vraag terug te kaatsen: waar blijft de complexiteit van de ‘nieuwe televisie’ in de cinema? Waarom is de (Amerikaanse) cinema stil blijven staan terwijl de televisie zich vervormde van het medium van oeverloos gepraat en domme quizjes naar de plek waar de hedendaagse maatschappij het meest veelomvattend onder de loep wordt genomen?

Sleeper curve
Populair-wetenschappelijk auteur Steven Johnson was in 2006 één van de eersten die de groeiende complexiteit van deze series observeerde en haar in een kader wist te plaatsen. Zijn boek Everything bad is good for you brak een lans voor al die cultuurvormen die door hedendaagse opiniemakers als verderfelijk worden voorgeschoteld. Tv-drama, videogames en realityseries tonen voor Johnson geen ‘race omlaag’ naar de grootste gemene deler via platte seks en bruut geweld, maar juist een groeiende complexiteit.
Johnson noemt die ontwikkeling de sleeper curve, maar hoewel hij de term ontleent aan Woody Allens sleeper (1973) is er voor cinema in het boek slechts een marginale rol weggelegd. Waar hele hoofdstukken gewijd kunnen worden aan de ontwikkelingen die televisie en games de afgelopen jaren doormaakten, wordt de film in een aantal pagina’s afgedaan. Film, zo stelt Johnson, heeft de afgelopen jaren geen gelijke tred gehouden met de ontwikkeling die games en televisie hebben doorgemaakt. Johnsons verklaring hiervoor is simpel: de cinema liep decennia voor, en was al uitontwikkeld.
Ergens is bepaald dat een speelfilm twee, maximaal drie uur duurt, en in die tijd kun je nu eenmaal maar een beperkte hoeveelheid informatie overbrengen — net zoals een popliedje van drie minuten nooit de gelaagdheid van een symfonie kan hebben. Natuurlijk, er is vernieuwende cinema geweest, en er zijn vele meesterwerken gemaakt; als dat niet zo was dan bestond de Filmkrant niet. Maar het medium, de grenzen aan de manieren van vertellen die cinema tot zijn beschikking heeft, zijn niet werkelijk meer veranderd.

Doodlopende eindjes
Toch is de sleeper curve ook in de cinema terug te vinden. In de Filmkrant van juni 2008 beschreef filmwetenschaper Patricia Pisters wat zij neurocinema noemde — films als the fall, southland tales en eternal sunshine of the spotless mind. De films verweven fictie en werkelijkheid en hebben een gefragmenteerde manier van vertellen, aldus Pisters. Juist in die complexe en soms verwarrende vertelwijzen zien we de sleeper curve van de cinema opdoemen.
Die narratieve complexiteit slaat steeds verder om zich heen, en dringt langzaam maar zeker door tot de mainstream van Hollywood. the brothers bloom, Rian Johnsons opvolger van zijn frisse debuut brick (2005), staat daar op de drempel. De film draait letterlijk om de door Pisters gesignaleerde vermenging van feit en fictie: de gebroeders Bloom zijn internationaal vermaarde oplichters die hun doelwitten via ingewikkelde verhaalconstructies hun geld afhandig maken. Grote broer Stephen (Mark Ruffalo) bedenkt die verhalen; kleine broer Bloom (Adrien Brody) is er consequent het middelpunt van. Dat is hij nu zat; hij verlangt naar een ‘ongeschreven leven’. En dus stelt Stephen een laatste grote klus voor, waarin de excentrieke rijkeluisdochter Penelope (Rachel Weisz) centraal staat. Het cliché van de last big score wordt hier onderdeel van een speelse omgang met de genreconventies van de oplichtersfilm, vol narratieve doodlopende eindjes en functieloze karakters.
duplicity, Tony Gilroys opvolger van zijn bejubelde regiedebuut michael clayton (2007), speelt hetzelfde spel met waarheid en leugen, maar gooit er bovendien een portie tijdsverhaspeling doorheen. Het verhaal in het heden, waarin voormalig spionnen Claire Stenwick (Julia Roberts) en Ray Koval (Clive Owen) als ‘corporate operatives’ tegenover elkaar staan, wordt gekleurd door flashbacks waarin de twee geliefden blijken. Terwijl de twee bedrijven waarvoor zij in dienst zijn elkaar proberen af te troeven om een geheimzinnig, revolutionair nieuw product, spelen Claire en Ray hun spel — met de bedrijven, met elkaar, met de kijker. "Geef het maar toe, jij vertrouwt mij ook niet", liefkoost Claire op een gegeven moment, en Ray glimlacht vertederd. Het is precies de verhouding die Gilroy met het publiek aangaat: we wíllen door hem opgelicht worden.

Zonder handje
En dan zijn er de échte blockbusters, waar de superhelden het dit jaar voor de verandering eens niet voor het zeggen hebben. In plaats daarvan krijgen we vier krakers voorgeschoteld die voortkomen uit al lang bestaande ‘properties’: vorige maand J.J. Abrams’ reboot van star trek, deze maand deel 1 van de nieuwe terminator-trilogie en transformers 2, later dit jaar nog g.i. joe. De sleeper curve zet dit schatgraven in de successen van het verleden, en Hollywoods neiging tot sequels, in een nieuw licht: ze zijn geen teken van intellectuele armoede, maar juist — mits goed uitgevoerd — een verrijking van de narratieve gelaagdheid.
De nieuwe star trek (deze alinea bevat een spoiler!) speelt net als de terminator-reeks met tijdreizen en alternatieve realiteiten, zonder de kijker daarbij aan het handje te nemen. De nieuwe Spock komt gewoon zijn oudere zelf tegen, en daarmee verandert de boel. De realiteit van de nieuwe terminator-films staat probleemloos naast die van de tv-spinoff the sarah connor chronicles. Zijn het daarmee automatisch goede films? Natuurlijk niet. Maar ze afdoen als wegwerpfilms voor een dom publiek kunnen we niet; daarvoor is het domme publiek, mede door de sleeper curve, inmiddels veel te slim.

Joost Broeren

THE BROTHERS BLOOM (Rian Johnson, Amerika, 2008, 109 minuten, distributie: A-Film, te zien: vanaf 28 mei)
DUPLICITY (Tony Gilroy, Amerika, 2009, 125 minuten, distributie: Universal, te zien: vanaf 28 mei)