The Plague
Watertrappelende pestkoppen
The Plague
Pesten blijkt besmettelijk in een psychodrama dat het hoofd net niet helemaal boven water houdt.
Je krijgt geen gewone pukkels, maar de kop van een lepralijder. Huiduitslag over je hele lichaam. Je zenuwstelsel raakt aangetast. Motorische functies vallen uit, je struikelt, laat dingen vallen, kunt geen normaal gesprek meer voeren. Uiteindelijk heb je geen hersens meer: niks. En het is niet te genezen.
Lacherig legt de roodharige, twaalfjarige Jake aan nieuwkomer Ben uit wat er mis is met Eli, een jongen met eczeem die door alle andere pubers op het waterpolozomerkamp wordt gemeden als de pest. Als Eli in de kantine bij de rest aan tafel schuift, stuift iedereen als door een wesp gestoken op van z’n stoel naar een andere tafel.
Het is onmiddellijk duidelijk dat het voor de net uit Boston verhuisde Ben, die volgens Jake raar praat, zaak is om niet ook ‘besmet’ te raken als Eli. Maar de fijngevoelige Ben heeft ook met Eli te doen en voelt zich misschien wel meer op zijn gemak bij deze nerd, die in zijn eigen fantasiewereldje lijkt te leven, dan bij de groep luidruchtige macho’s met hun vuilbekkerij. Bovendien: iedereen weet dat de pest niet echt is. Toch?
In zijn voor Cannes (Un Certain Regard-sectie) geselecteerde speelfilmdebuut The Plague maakt de Amerikaanse scenarist/regisseur Charlie Polinger de angst om uit de toon te vallen doeltreffend tastbaar door de oorspronkelijke betekenis van de werkwoorden plagen en pesten letterlijk te nemen: iemand besmeuren met pest of plaag tot die er ziek van wordt. We zien hoe de groepsterreur zowel uiterlijk als innerlijk vreet aan Eli, die ervan overtuigd is geraakt dat er iets mis is met hem. En hoe die dynamiek ook Bens realiteit dreigt te infecteren. Als een plaag zonder kuur, omdat de grotendeels afwezige volwassenen in de film er geen probaat tegengif tegen bieden.
De onafhankelijke Amerikaanse (co)productie werd gedraaid in het olympisch zwembad van Boekarest, dat met zijn hoge glazen wand en stemmige, roodbruine houten spanten een benauwende jarenzeventigsfeer ademt. De licht surreële stemming van het psychodrama echoot door in wondermooie onderwatershots met gedempte geluiden. Vanaf de bodem zien we hoe duikende tieners als speren een leeg zwembad doorklieven: hun lijven metaforen voor de vele steken onder water. Daarna zweven ze naar boven om wild spartelend het ontbrekende hoofd boven water te houden. Op de sterke, overwegend a capella soundtrack krijgt de onderstroom bijval van een groep stemmen die een langgerekt, dwingend klinkend oergeluid scanderen: “Hmmmmmm!” Of een opjuttend “Huh-huh-huh-huh!”
Wat in deze soms naar horror uitschietende vertelling minder goed tot zijn recht komt, is dat uiteindelijk niet de slachtoffers van de pesterijen de zieke geesten zijn, maar de aanstichters ervan. De ware plaag is natuurlijk niet Eli, maar pestkop Jake met zijn meelopers.