Värn
Voor als de bom valt
Värn
In het glooiende zuiden van Zweden bouwt een man een vesting van schroot en cement, die bescherming moet bieden tegen een eventuele atoombom.
IJzerdraad, fietswielen, teilen, kippengaas, lege verfblikken, spoorrails, ondersteken, kettingen. Alles wat Karl-Göran Persson kan vinden aan schroot gaat in de houten kar van zijn bakfiets en mee naar huis. Een huis dat hij gestaag uitbouwt tot een vesting. Voor als de bom valt.
Het Zweedse Värn is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van een man die zich vier decennia lang voorbereidde op een nucleaire apocalyps. Filmmaker John Skoog was van kinds af aan gefascineerd door die geschiedenis, wellicht mede dankzij de foto die zijn moeder in 1981 vond in de restanten van het huis. Een verweerde foto vol vouwen, waarin Persson bovenop zijn witte bouwwerk staat met ontbloot bovenlijf, de armen wat onhandig van zijn lichaam af, zijn gezicht volledig verdwenen in de schaduw van zijn pet.
In sober zwart-wit en met een score die golft als een luchtalarm reconstrueert Skoog in zijn fictiedebuut het huis en het bestaan van de simpele boerenknecht. Die wordt gespeeld door Denis Lavant, een acteur die bijna een kunstvorm op zich is. “Niet alleen een filmacteur maar een acrobaat, mimespeler en toegewijd toneelspeler”, zoals hij werd beschreven in een profiel van Senses of Cinema. “De genialiteit van Lavant observeren, betekent het loslaten van bepaalde ideeën over wat goed acteren is.”
Lavants acteren zit niet in het psychologische, maar in fysieke expressie. Zelfs als hij het, zoals hier, klein houdt. Hoe hij bij het dorsen van graan het ritme met zijn hele lichaam dicteert. Hoe het spaarzame licht in het huis hem altijd net wat verder naar alles toe doet buigen. Het huis met z’n gewapende beton is het ruwe decor van de film. Elke dag kringelt er zwarte rook uit het onaffe dak, van de autobanden die Karl verbrandt om teer te maken.
Sisyphus
Karls levenswerk is ingegeven door een pamflet dat tijdens de Koude Oorlog verspreid werd onder Zweedse huishoudens, zoals in veel Europese landen gebeurde. De film opent met een aantal pagina’s uit dit Om kriget kommer (‘Als de oorlog komt’), dat instructies geeft voor wat je moet doen als het luchtalarm afgaat, hoe je het beste schuilt voor radioactieve neerslag.
Dat uitgangspunt doet denken aan Jimmy Murakami’s animatiefilm When the Wind Blows (1986), waarin een schattig oud mannetje ergens op het Engelse platteland tot ergernis van zijn vrouw de ramen wit begint te verven en de deuren uit hun scharnieren haalt om er een schuilplaats mee te bouwen. Waar zulke films vrijwel altijd spelen met de vraag of de bom ook echt zal vallen, daar wordt die vraag in Värn nauwelijks gesteld. Het antwoord ligt misschien al in de weidse shots van het glooiende landschap: in de verste verten is hier niets om te raken.
Mooi is de vondst om zo nu en dan een kinderstem de gebeurtenissen te laten becommentariëren. Het vangt de onschuld van Karls onderneming, wiens band met de kinderen uit een verderop gelegen dorp en altijd wat meewarige blik suggereren dat zijn brein misschien nooit veel verder is ontwikkeld dan dat van een kind.
Ook sterk is de keuze om de film zich te laten afspelen binnen een beperkt tijdsbestek. Het gaat Skoog niet om de voortgang van Karls werk, of de motieven. Het gaat hem puur om de Sisyphus-achtige handelingen van deze stoïcijns doorwerkende man. Wanneer de film begint staan de fundamenten van het huis er al, af komt het nooit. Op een dag zal Karl verdwenen zijn, als een personage uit een Tom Waits-liedje. “Some say that he was never here at all.”